Vragen van lezers

Af en toe krijg ik van een lezer van het boek vragen die inderdaad om extra verheldering vragen en waarvan ik vermoed dat ze ook verhelderend kunnen zijn voor andere lezers. Als ze dat goed vinden zet ik ze hier neer.

De vragen van Marc Cornelisse

Vraag 1: Op blz. 114 schrijf je ‘Maar de materialisatie hoeft niet per se bij het macro-instrument te zijn. Die kan, gezien het feit dat de golf een kansverdeling is, letterlijk overal zijn.’ Maar op blz. 115 is de materialisatie dan wel precies bij de spleet waar niet gemeten wordt. Hoe rijm je dat?

Antwoord: Goede opmerking. De materialisatie van het foton moet in de spleet plaats gevonden hebben omdat de interferentie verdwijnt bij observatie van de spleten. Dat kan alleen als er nog maar één enkele kwantumgolf uit de dubbelspleet is geweest. Dat is in elk geval de gevolgtrekking achteraf van dit – talloze malen bevestigde – fenomeen, die ook helemaal in overeenstemming met de kwantummechanica is. Zelfs als we maar bij één van de twee spleten observeren. Dat verklaar je niet met hypotheses die de kwantumcollaps zien als het effect van meetinstrumenten die samengesteld zijn uit grote aantallen atomen, zoals de macro hypothese van de Kopenhaagse interpretatie, de decoherentie hypothese of de superselectie hypothese. Ik bedoelde hier dus juist die hypotheses mee te ontkrachten.
 
Vraag 2: Op blz. 150 schrijf je ‘Nog opmerkelijker is dat ook een kopie van de band gemaakt nog voordat de originele band - voor de proefpersoon was afgespeeld na het experiment - na het experiment met het origineel ook niet meer te beïnvloeden bleek.’ Werd die kopie dan gelijk aan de band na het experiment met proefpersoon?

Antwoord: Dat denk ik wel. Maar achter deze vraag zit jouw basis aanname verborgen van een van ons onafhankelijk bestaande werkelijkheid. Dat is het beeld van de werkelijkheid dat ons met de paplepel ingegeven is, het Newtoniaanse model. Wat ik denk is dat kwantumgenerator, band en kopie één verstrengelde kwantumgolf vormen die pas materialiseerde bij observeren. Er was dus geen kopie die tot het moment van observeren nog ‘verschilde’ van de originele opname. De originele opname én de kopie materialiseerden pas bij observatie en daarmee de uitslag van de kwantumgenerator. 

Dat heeft sterk te maken met het ‘weten’ van de experimentatoren dat band en kopie dezelfde informatie zouden horen te bevatten. De werkelijkheid is zoals wij verwachten dat die is. Het verbluffende is, dat de materiele dragers van die informatie – de tapes – er al die tijd al wel zijn in de ervaring van de experimentatoren ¬– ze zijn tastbaar – zodat je automatisch aanneemt dat ze al op atomair niveau al volledig materieel bestaan inclusief hun magnetische oriëntaties die die informatie bevatten. Dit experiment stelt dus vragen bij die aanname. Het is dus niet zo dat de kopie zich aanpast aan het origineel door zijn magnetische oriëntaties te wijzigen, ze materialiseren pas bij observatie door de proefpersoon in origineel en kopie, daarvoor zijn ze in een kwantumtoestand.
 
Vraag 3: Op blz. 153 schrijf je ‘Het elektron verschijnt dan willekeurig in de detector maar in elk geval alleen als die detector zich op een plek bevindt waar de interferentie constructief is.’ Ik vroeg me af wat er gemeten wordt in de overige maxima.

Antwoord: Niets natuurlijk. Elk elektron wordt individueel afgevuurd en vervolgens gemeten mits de detector zich op de juiste plek bevindt. Dus niet alle elektronen worden gemeten. Als een elektron gemeten is op een bepaalde plek zal het niet ook gemeten worden op een andere plek. Dat die andere plekken ook maxima zijn betekent alleen dat andere afgevuurde elektronen een kans hebben om in een van die maxima gemeten te worden. Wat ook gebeurt als je meerdere elektronen afvuurt.
 
Vraag 4: Op blz. 203 schrijf je ‘Het met het in de installatie bewaarde radarfoton verstrengelde idler foton ….’ Hier is toch sprake van het ontstaan van een nieuwe kwantumgolf, de superpositie van radar-kwantumgolf en die van het idler foton?

Antwoord: Ik heb niet voldoende informatie over de techniek. Maar het lijkt erop dat de radar signal en idler fotonen verstrengeld blijven totdat het radar idler foton eventueel gemeten wordt en dan iets ‘verklapt’ over het radar signal foton. Een knappe technische prestatie. 

Een verstrengelde golf van twee fotonen is trouwens niet gelijk aan de superpositie van de individuele toestandsgolven van twee individuele fotonen. In zo’n superpositie zit namelijk niet de informatie van een gezamenlijke historie van die twee fotonen want die hebben ze niet.
 
Vraag 5: Kosmisch model op blz. 259. Ik neem aan dat dat een door jou ontwikkeld model is? Waarom laat je het collectief onderbewustzijn ook niet via de individuen lopen? Zelf praat ik over de (goddelijke) universele matrix van het bewustzijn. Een bewustzijn van alle levende organismen. Hoe dit zich manifesteert, is afhankelijk van de complexiteit van het organisme. De menselijke communicatie vindt plaats in de ‘totale ervaren werkelijkheid’, maar kan mijns inziens ook op bewustzijnsniveau uitgeoefend worden. Sommigen pakken daar flarden van op, maar het is nog lang niet gecultiveerd.

Antwoord: Ik ben beslist niet de originele bedenker van dit model. Het bestaat al heel lang. Maar het is wel waar dat het bij mij opkwam na lang nagedacht te hebben over het consensus probleem. Pas daarna herkende ik het in uitspraken en publicaties van sommige wetenschappers – zoals Planck en Schrödinger – van mystici – zoals Rupert Spira – van hedendaagse onderzoekers – zoals Bernardo Kastrup en R. Craig Hogan - en in zekere Indiase spirituele leringen - zoals de Advainta Vedanta. 

Hoe het collectief onderbewustzijn in het model past, dat weet ik gewoon niet. Het onderbewustzijn is een naam voor iets dat we eigenlijk niet kennen maar veronderstellen als bron van van-alles-en-nog-wat. De inhoud van ons dagelijks bewustzijn is volstrekt onvoldoende om ons gedrag te verklaren en daarom veronderstellen we – terecht – dat er veel meer is dan wat daar te vinden valt. Ik zou liever zeggen dat het onderbewustzijn gewoon dat is, waar we gewoonlijk geen toegang tot hebben. Maar het gebeurt wel dat deze sluier tijdelijk opgeheven lijkt te worden, men spreekt dan van een mystieke ervaring waarin alles met elkaar verbonden is. Lees er ook de nabij-de-dood ervaringen eens op na. Daar wordt keer op keer gesproken over het expanderen van het bewustzijn en het besef dat alles met elkaar verbonden is.

 
Vraag 6: Op blz. 260 schrijf je ‘De stoffelijkheid valt weg uit de vergelijking.’ Welke vergelijking?

Antwoord: Dat is overdrachtelijk gesproken. Veel fysici hebben nog de hoop dat de gehele werkelijkheid te vangen zou kunnen worden in één vergelijking, de GUT (Grand Unified Theory) of TOE (Theory Of Everything). Daar valt - als wat ik beweer klopt - dan de materie uit weg als onderdeel van de vergelijking want materie bestaat niet objectief meer. Dat is enigszins vergelijkbaar met het wegvallen van de tijd uit de vergelijking die Wheeler en DeWitt opstelden toen ze de kwantummechanica en de algemene relativiteit in één vergelijking probeerden te vangen.
 
Vraag 7: Op blz. 262 begrijp ik nog niet goed waarom het kosmische geheugen niet oneindig groot hoeft te zijn.

Antwoord: Oneindigheid is een menselijk concept dat alleen in de wiskunde kan bestaan en niet in de materiële werkelijkheid. Dat was overigens ook het oorspronkelijke bezwaar tegen zwarte gaten. Maar daarover kun je oneindig discussiëren, natuurlijk.
 
Vraag 8: Op blz. 271 schrijf je ‘… en treedt er geen verstrengeling met de computer op.’ Waarom gebeurt dat niet?

Antwoord: Falsificatie van de bewustzijnshypothese kan in principe met het Zeno effect. Dat zou het geval zijn indien er geen bewuste waarnemer aan te pas hoeft te komen om het Zeno effect teweeg te brengen. De oorzaak van de kwantumcollaps is dan gewoon mechanistisch te begrijpen en er treedt geen macroscopische verstrengeling op. Dat staat in de voorafgaande paragraaf uitgelegd (hoop ik).