Subject, object en synchroniciteit

Binnen- en buitenwereld

Bij de kwantumfysicacursus die ik geef op de Academie voor Geestewetenschappen is het de bedoeling dat de cursist een essay schrijft over wat de kwantumfysica haar voor inzichten heeft opgeleverd. In een zo’n essay vermeldde een cursiste dat ze het interferentiepatroon dat ontstaat bij dubbelspleetexperiment goed kon begrijpen maar dat ze niet helder kreeg dat, zodra er bij één van de spleten waargenomen wordt, het interferentiepatroon verdwijnt. Nadenkend over het verschil tussen die twee experimenten realiseerde ik me dat het probleem wellicht zit in de subject-object positie die we doorgaans hanteren.

Het gewone tweespleten experiment – waar dus niet gekeken wordt door welke spleet het object of de kwantumgolf gaat – is een voorbeeld van het beleven van een experiment zoals we dat doorgaans doen. We kijken naar de wereld zoals we gewend zijn van kleins af aan, namelijk alsof de waargenomen wereld geen deel uitmaakt van onze binnenwereld.

Zodra er bij de spleten ‘gekeken’ wordt verdwijnt het interferentiepatroon. Er is nog maar één golf per foton. Met veel fotonen ontstaat dan een enkele lichtvlek midden achter de spleten.
Even terzijde, ik ga er van uit dat het de kwantumgolf is en niet het gematerialiseerde object dat door een dan wel door beide spleten gaat. Dat verklaart de waargenomen interferentie net zo goed en bevat dus niet de bijkomende en dus onnodige veronderstelling dat het object even in de spleet materialiseerde ondanks dat het daar niet rechtstreeks waargenomen is. De veronderstelling dat het object in de spleet materialiseerde heeft als oorsprong het foute idee van permanente materie die als we even niet kijken weer in een kwantumtoestand vervalt. De interpretatie dat de toestandsgolf een waarschijnlijkheidsgolf is zolang er niet gemeten wordt, is voldoende om de verschijnselen te verklaren zonder dat er tussentijds nog iets materialiseert. Als de toestandsgolf door één spleet gaat dan is de waarschijnlijkheid dat we het deeltje daar zouden hebben aangetroffen wanneer we daar echt hadden gekeken 100%. Een waarschijnlijkheid van 100% is echter een getal in onze geest en dus niet hetzelfde als een materiële aanwezigheid. Zekerheid is nog steeds geen materie.

Maar zodra we merken dat ons kijken iets doet in het experiment – de toestandsgolf verandert van gedrag, zelfs met terugwerkende kracht, en gaat nu slechts door één van de twee spleten – worden we zelf een onderdeel van het experiment. Onze geestelijke binnenwereld raakt verstrengeld, letterlijk, met de waargenomen materiële buitenwereld. Dat zijn we absoluut niet gewend. Het intellect – dat is de manier waarop wij de wereld interpreteren – begrijpt het niet meer en deinst terug. Verwarring ontstaat.

De illusie van een gescheiden binnen- en buitenwereld

Hoe is dat op te lossen? De redenering is op zich logisch. Einstein zag het al in 1920 (en het stond hem zeer tegen). Als je kunt constateren door welke spleet het deeltje is gegaan dan is het dus niet meer mogelijk dat het door beide spleten is gegaan, al is dat in de vorm van een waarschijnlijkheidsgolf. Die zaken sluiten elkaar uit. Volstrekt logisch. De golf conformeert zijn gedrag dus aan onze kennis van de wereld. En op dat cruciale moment beseft het intellect een schending van zijn Ik ben hierbinnen en de wereld is daarbuiten en beiden zijn van elkaar onafhankelijk’ zekerheid hetgeen resulteert in verwarring en niet begrijpen. Volgens mij is de enige oplossing hier om via rustige introspectie de logica van deze constatering binnen te laten komen. De aanvaarding van het idee dat binnenwereld en de buitenwereld verbonden zijn en elkaar beïnvloeden heeft tijd nodig.

De gebruikelijke interpretatie is dat het object materialiseert in de spleet wanneer de spleet wordt geobserveerd en daarna weer als kwantumgolf doorgaat op weg naar het scherm. Het resultaat – het verdwijnen van het interferentiepatroon – is niet te onderscheiden van het verwachte effect van de reductie van de golf tot één spleet. De binnenwereld van de waarnemer heeft in het eerste geval een iets ander effect op de buitenwereld, materialisatie van het object in de spleet in plaats van de reductie van de golf. Maakt dat uit? Niks.

Wie manifesteert nu het object als onze binnenwerelden gescheiden zijn?

Synchroniciteit begrepen

Met andere woorden, de buitenwereld is net zo goed een wereld van de geest. Hetgeen het verschijnsel synchroniciteit uitstekend zou kunnen verklaren. Hoe het mogelijk is dat wij – elk individu – een binnenwereld hebben die niet gescheiden is van de buitenwereld wordt dan verklaard door aan te nemen dat die individualiteit uiteindelijk ook een illusie is, een vorm van vernauwd perspectief. Daarmee is de consensus die voor Eugene Wigner een onoverkomelijk probleem vormde overigens ook verklaard.

Binnen- en buitenwereld niet gescheiden

Kijken bij de spleet in de praktijk

‘Kijken bij’ de spleten is overdrachtelijk bedoeld bij deze experimenten. We hoeven alleen maar vast te kunnen stellen door welke spleet het object ging. Dat wordt doorgaans gedaan door twee verstrengelde fotonen te gebruiken waarvan er één door de spleten wordt gestuurd.

Het principe van ‘kijken’ bij de spleet. Een – hoogenergetisch -foton wordt gesplitst in twee fotonen die in twee richtingen vliegen, de signal en de idler. De signal fotonen gaan door een dubbelspleet en zullen normaal een interferentiepatroon laten zien bij X1. Het idler foton draagt ook de pad-informatie van het signal foton. Als die informatie wordt vastgelegd verdwijnt de interferentie bij X1. Voor meer uitleg verwijs ik naar een andere pagina op deze website.

Drie spleten

Golfgedrag van de toestandsgolf vermindert met de toename van onze informatie.

De vraag van wat er gebeurt bij het ‘kijken’ bij één van de spleten bij een drie-spleten experiment is natuurlijk ook interessant. Die vraag wordt nogal eens gesteld op mijn cursus. We weten dan wel iets maar niet voldoende om te weten door welke spleet het object elke keer ging. Als we het object niet zien – kans van 2:3 – dan gaat de toestandsgolf door de andere twee spleten en zal er interferentie optreden. Als we object wel ‘zien passeren’ – kans 1:3 – dan reduceert de golf tot de geobserveerde spleet en is er geen interferentie. Het patroon van lichte en donkere banden, dat ontstaat wanneer we grote aantallen fotonen afvuren, wordt minder scherp. Hoe minder informatie we kunnen hebben over het gevolgde pad, hoe sterker het golfkarakter wordt. Hoe meer informatie we kunnen hebben, hoe sterker het deeltjeskarakter getoond zal worden. Dat is bevestigd in een Koreaans experiment dat ik elders bespreek.

Conclusie

De illusie is dus niet die van de ervaring van een illusionaire materiële wereld, de illusie is die van de gescheidenheid tussen het mentale en het materiële. Er is geen harde scheiding tussen binnen- en buitenwereld. Observatie: de binnenwereld is onmiskenbaar ‘echt’. De buitenwereld daarom ook.

De betekenis van wat moet worden opgevat als echt verandert dienovereenkomstig.

Kunnen mensen de kwantum wereld direct waarnemen?

Er lijkt in de wereld van de fysica langzaam maar zeker een beweging op gang te komen die de verbinding tussen het bewustzijn van de waarnemer en het waargenomene serieus aan het onderzoeken is. Op dit moment is uit onderzoek al gebleken dat de menselijke zintuigen werken en waarnemen op kwantumniveau. Niet alleen het oog dat na aanpassing in staat blijkt om één enkel foton waar te nemen, maar al onze zintuigen blijken op dat niveau waar te kunnen nemen. Lees het artikel van William C. Bushell Ph.D. and Maureen Seaberg op https://www.scienceandnonduality.com/ (SAND).

Can Humans Directly Observe the Quantum World? Part I

Blindsight

Het is de vraag of dat waarnemen van de kwantumwereld gebeurt met onze fysieke zintuigen. Kinderen kunnen leren om met een blinddoek op te lezen, tekeningen te beschrijven, en elkaar een bal toe te werpen. Daar gebruiken ze dus hun fysieke ogen niet voor.

Manifesteren wij de werkelijkheid?

Wat is de rol van het bewustzijn?

Er is nog steeds een grote groep wetenschappers die het bewustzijn liever buiten de deur van de kwantumfysica houdt. Maar dat lukt ze steeds minder voor zover ik dat kan beoordelen. De volgende video is daar een mooi voorbeeld van, alle argumenten die ik in mijn boek gebruik voor de rol van het bewustzijn komen in hoog tempo langs. Overtuigend gebracht. Heel informatief, aanrader voor degenen die mijn boek gelezen hebben. Aan het eind komt dan het verhaal van Wigners paradox en de boodschap dat de huidige inzichten zijn dat die interpretatie volgens de laatste inzichten niet meer nodig is maar dat die nieuwste inzichten eigenlijk alleen weggelegd zijn voor mensen met een zeer zeer diepgaande kennis van de kwantumfysica. Dat wordt dan in de nog komende vervolg aflevering verder toegelicht. Als ik mag gokken dan zal die dan gaan over de multiversum hypothese die inderdaad een groeiende groep aanhangers kent.

Consilience

Dat klopt inderdaad als ik zie wat ze in de daarop volgende video te melden hebben. Welnu, als het alleen de kwantumfysica was die argumenten leverde voor het bewustzijn als primaire schepper van de realiteit dan zou ik wellicht ook tot de groep behoren die die hypothese met grote scepsis zou bekijken. Ik zou ook neigen naar multiversa. Maar als ik dan denk aan andere experimenteel of middels uitvoerig forensisch onderzoek bevestigde verschijnselen als het kunnen beïnvloeden van kwantumgeneratoren door proefpersonen, psychokinese, herinneringen aan vorige levens, nabij-de-dood ervaringen, telepathie, instrumentele communicatie met overledenen en alzheimer patienten, dan begin ik te zien dat al die zaken elkaar steeds sterker bevestigen. Dat samenbrengen van elkaar ondersteunende wetenschappelijke resultaten uit verschillende domeinen wordt consilience genoemd.

Niet geloven maar zelf onderzoeken

Probeer zelf maar eens of je de werkelijkheid kunt manifesteren. Serieus. Voor dat je daar aan begint raad ik wel aan om eerst het boek van Linda Dronkers-Steijn te lezen en de oefeningen die zij aanraadt serieus te proberen. Dat zou best eens een – aangename – verrassing op kunnen leveren.

Een bijzonder hardnekkig misverstand

Het duikt steeds weer op in berichten over kwantumverschijnselen: ‘Afhankelijk van de wijze waarop wordt gemeten manifesteert het kwantumobject zich als deeltje of als golf.‘ Nee, nee en nog eens nee, dat is wat mij betreft niet het juiste beeld.

Zo’n uitspraak wekt de indruk van een object dat zich weloverwogen aanpast aan de gebruikte meetmethoden en dan beslist of het zich als golf of als deeltje laat zien. Geen wonder dat veel mensen hier al afhaken.

Dit verkeerde beeld, dit misverstand, heeft zijn oorsprong in het beeld dat wij vanaf onze vroegste herinneringen binnengelepeld hebben gekregen. Het beeld van de wereld die onafhankelijk van ons bestaat en waarin wij de rol van toeschouwer vervullen, als een toevallige omstander die er ook net zo goed niet had hoeven te zijn. We zijn gewend om ons iets, een ding, voor te stellen als iets dat er gewoon IS en er altijd geweest is. Dat doen we zelfs als het zich al naargelang de manier waarop we ernaar kijken ineens totaal anders en uiterst dubbelzinnig voordoet, zoals bovengenoemd kwantumobject.

Creëren wij onze wereld?

Het is veel ongebruikelijker om ons voor te stellen dat het ding er is OMDAT we het waarnemen, dat het vóór onze waarneming niet bestond en ná onze waarneming er niet meer is. Als we dat zouden doen krijgt dan het ding eigenschappen die we doorgaans aan dromen en gedachten toeschrijven en niet aan ‘echte’ dingen. Die manier van voorstellen past slecht in het gebruikelijke beeld van de permanentie van onze wereld. Toch leert de kwantumwereld ons dat dat beeld van een objectieve permanente wereld hoogstwaarschijnlijk niet waar is.

Kijken naar het dubbele spleet experiment

Het dubbele spleet experiment is een cruciaal experiment in de kwantumfysica. Laten we daarom eens gaan kijken naar dat dubbele spleet experiment.

Electronen die worden afgevuurd op een dubbele spleet vormen een interferentiepatroon.

Als we een groot aantal deeltjes, fotonen, electronen of zelfs grote moleculen, door een dubbele spleet vuren dan onstaat er een interferentiepatroon. Dat is een patroon van lichte en donkere banden. Dat patroon ontstaat ook als we dat deeltje voor deeltje doen. Ook na lange tijd vuren blijken bepaalde gebieden niet of nauwelijks geraakt te worden, dat zijn de lichte banden in bovenstaand plaatje. Kijk u even dit filmpje: The Double Slit Experiment Performed With Electrons

The Double Slit Experiment Performed With Electrons © Physics Footnotes

Zo’n interferentiepatroon is het gevolg van golfgedrag. Het treedt op als golven elkaar op bepaalde plekken versterken of uitdoven al naargelang respectievelijk hun synchrone gelijkgerichte of juist tegengestelde beweging. Bekijk dit YouTube filmpje voor een zeer verhelderende demonstratie van twee spleten interferentie.

The original double slit experiment © Veritasium

Er is een mathematisch verband tussen de onderlinge afstanden van de banden van het patroon, de afstand tussen de spleten, de afstand van de spleten tot het scherm en de golflengte maar daar hoeven we hier niet op in te gaan om te begrijpen wat er plaatsvindt.

Een dergelijk interferentiepatroon ontstaat alleen als de golven dezelfde frequentie en golflengte hebben. Dat is het geval als twee golfbronnen synchroon trillen. De twee spleten fungeren hier als die bronnen die in fase trillen. De nogal schokkende gevolgtrekking die uit dit patroon wordt gemaakt is: ‘Elk deeltje vertoonde golfgedrag en moet dus ook een golf geweest zijn’. Dat geldt dus ook voor electronen en zelfs voor grote moleculen van meer dan 800 atomen.

Kijken bij de spleet

Als we nu het experiment nu zodanig aanpassen zodat we van elk deeltje kunnen vaststellen door welke spleet het is gegaan dan verdwijnt het interferentiepatroon en krijgen we een patroon dat je het beste kunt beschouwen als twee enkele spleet patronen die over elkaar heen geprojecteerd worden en daardoor eigenlijk niet meer te onderscheiden zijn van een enkele spleet patroon. Elk van de twee spleten produceert nu een enkele spleet patroon, een lichtvlek met de hoogste intensiteit in het centrum, op vrijwel dezelfde plek op het scherm.

De correcte conclusie is dat de golven die door de spleten heen gaan nu niet meer met elkaar interfereren. De relatie tussen die twee golven waardoor ze elkaar op vaste voorspelbare plekken uitdoven of versterken is verdwenen. De conclusie die nu vaak wordt getrokken dat we nu deeltjesgedrag zien slaat eigenlijk nergens op. Het enkele spleet patroon is nog steeds voor 100% golfgedrag, alleen we zien geen interferentie meer zoals die optreedt bij twee synchrone golfbronnen. Het lijkt er meer op dat elke golf die bij een deeltje hoort nu uit maar een van de spleten komt en niet meer uit allebei. En dat is precies wat er hier aan de hand is.

Hoe wij de wereld zien als een verzameling van dingen

.. we van elk deeltje kunnen vaststellen door welke spleet het gegaan‘. Let op hoe deze zin is geformuleerd. Impliciet zit hier de aanname al in dat er sprake is van een deeltje dat een traject aflegt en dat daarbij door een van de spleten reist. Dat is een vooronderstelling die voortspruit uit de manier waarop wij van kindsaf aan de wereld om ons heen hebben leren kennen. En het blijkbaar ontzettend moeilijk vinden om die los te laten. Een op een doel afgeschoten kogel is toch op elk onderdeel van het afgelegde traject geweest? Of niet soms?

De simpele hypothese: de waarneming laat het deeltje verschijnen

Probeer nu , al is het maar voor even, die vooronderstelling los te laten. Stel je het even voor, er is geen deeltje dat een traject aflegt, er is alleen maar een golf. Een golf die bijzonder intiem verbonden blijkt met onze waarneming van het deeltje. Hoe dat werkt stellen we hier nog even uit. Een golf die eindigt als wij een waarneming doen. Een waarneming wil dan zeggen dat wij vaststellen dat er een deeltje op dat moment en op die plaats was. Meteen nadat onze waarneming gedaan is, is het deeltje er niet meer maar is er weer een golf die daar begint waar wij het deeltje het laatst hadden waargenomen. Kijk nu met deze hypothese weer naar de versie van het dubbele spleet experiment waar we konden vaststellen door welke spleet het deeltje ging. Kunnen we het verdwijnen van de interferentie dan beter begrijpen?

Probeer daarom de volgende vijf logische stappen te volgen:

  1. Volgens deze hypothese is het de waarneming, in dit geval door welke spleet het deeltje ging, die het deeltje in een van de spleten liet verschijnen.
  2. Dat verschijnen in de spleet betekent impliciet het eindigen van de golf.
  3. Als de waarneming gedaan is dan was het deeltje er alleen maar ‘daar en op dat moment’ en vertrekt er onmiddellijk daarna weer een golf uit de spleet om uiteindelijk op het scherm achter de spleet terecht te komen.
  4. Aangezien het deeltje niet in beide spleten verscheen – laten we in elk geval maar aannemen dat er geen magische deeltjesverdubbeling plaatsvindt – hebben we nu nog maar één enkele golfbron.
  5. Er is nu dus wél een golf – tussen de dubbele spleet in het scherm – maar er is geen interferentie meer, aangezien we daar nu eenmaal twee synchroon trillende golfbronnen voor nodig hebben.

Hiermee geeft deze hypothese, de waarneming laat het deeltje verschijnen, een volledige en logische verklaring van het verdwijnen van de interferentie wanneer we gaan meten bij de spleet.

Twee in tijd achtereenvolgende waarnemingen in één experiment

Als de golf op het scherm valt dan nemen we daar een lichtpuntje waar. Dat is in principe ook weer een waarneming. Dus als we de meetopstelling zo inrichten dat we kunnen waarnemen in welke spleet het deeltje verscheen dan hebben een meetopstelling gecreëerd met twee achtereenvolgende locaties voor waarnemingen. Eén in de spleet en de ander op het scherm achter de spleten. Dat is het cruciale aspect in een experiment waar we meten bij de spleet.

We moeten dus niet zeggen dat het waargenomen object zich gedraagt als een golf of een deeltje afhankelijk van de manier van waarnemen. In beide opstellingen is het consequent zo dat er een golf is die telkens door een waarneming even resulteert in de manifestatie van een deeltje. In de opstelling waar we kijken in welke spleet het deeltje verscheen doen dus we gewoon twee achtereenvolgende waarnemingen waardoor een golf zich twee keer achtereen manifesteert als deeltje. De meting beïnvloedt direct het gemetene en twee achtereenvolgende metingen op twee locaties binnen de opstelling geven daarom logischerwijs een andere uitkomst dan een enkele meting alleen bij het scherm. Alsof je bij biljarten de rollende bal onderweg nog een stoot geeft en dan verbaasd kijkt dat dat het resultaat beïnvloed. Daar hoeven we dan echt geen intelligente bal voor te veronderstellen.

Er is een speler nodig om de ballen in beweging te brengen.

Geen deeltje en golf tegelijk maar een kansgolf

Als we er op die manier naar kijken dan is er dus geen sprake meer van een deeltje dat zich qua eigenschappen aanpast aan onze manier van meten. Het hele proces verloopt duidelijk en uiterst voorspelbaar, zolang we niet meten is het object dat we willen meten een golf, zodra we meten waar het object zich bevond en wanneer dat was vinden we het object als daar geweest zijnde. Het meten en de manifestatie van het object worden daarmee identiek!

Nu wordt de vraag wat die golf dan is en waaruit die bestaat natuurlijk levensgroot. Het antwoord op die vraag is al voorgesteld door de fysicus Max Born in het begin van de 20e eeuw. De kwantumgolf is in zijn voorstel een golf die op de juiste manier geïnterpreteerd de waarschijnlijkheid per plaats en tijd, waar en wanneer, voorstelt om het object aan te treffen bij een meting. De kwantumgolf geeft ons dus een voorspelling maar geen exacte. Het is een statistische, net als bij het werpen met een dobbelsteen de kans om precies een zes te gooien 1/6 is en dat de voorspelling van de gemiddelde uitkomst van een worp 3,5 is. Overigens ging Max Born er nog van uit dat het deeltje door de golf ‘geleid’ werd. Die interpretatie is later losgelaten.

Kwantummechanica is statistiek

Statistiek is dé manier waarop in de kwantummechanica zeer precies de resultaten van experimenten worden voorspeld. Bij de grote aantallen elementaire deeltjes die bij objecten groter dan een paar micrometer al spelen is de uitkomst aan de hand van deze kansen uiterst precies te voorspellen. Net zo als de gemiddelde uitkomst van honderd miljard keer werpen met een ideale dobbelsteen precies 3,5 zal zijn met een afwijking die we pas ergens na de 8e decimaal zullen vinden. Veel kwantumfysici willen wel aanvaarden dat het deeltje zich slechts bij meting manifesteert maar over hoe de meting dat doet zijn ze het onderling nogal oneens gezien het grote aantal verschillende interpretaties. De meeste interpretaties proberen de objectieve permanentie van de wereld te redden maar slagen daar nog steeds niet overtuigend in. In technische toepassingen gebruiken kwantumfysici gewoon de statistische berekeningsmethoden – shut up and calculate – en laten de interpretatie over aan de twistende theoretici.

De eenvoudigste verklaring is meestal de beste

Zoals ik in het begin al schreef betekent de aanname, dat het ‘ding’ alleen verschijnt omdat we kijken en dat het er niet is als we niet kijken, dat de werkelijkheid die we waarnemen dezelfde kwaliteit krijgt als gedachten en dromen. Als dat nu de aanname is die ons de meest simpele ondubbelzinnige verklaring geeft van het dubbele spleet experiment dan is die misschien toch niet zo gek als het u waarschijnlijk aanvankelijk in de oren klonk. We kunnen ons met deze hypothese elk onderdeel in het dubbelspleet experiment goed voorstellen zonder te pogen om deeltjes die tegelijkertijd golven zijn te visualiseren. Wellicht is het idee dat de wereld er altijd is, onafhankelijk van ons, een zeer hardnekkig misverstand. Dat is mijn overtuiging. De wereld is er omdat wij die waarnemen. Dat geldt dan ook voor het Covid-19 virus uiteindelijk. Natuurlijk roept dat weer een aantal andere vragen op. Kijkt u daarvoor maar eens op een andere pagina op deze website.

Wat is werkelijkheid eigenlijk?

De kwantumfysica vertelt ons dus een heel andere boodschap dan onze zintuigen. De wereld bestaat omdat wij die al ervarend creëren. Als dat nog niet geloofwaardig mocht zijn, bekijkt u dan eens deze video.

Experimentator effect?

In TVP 86 (Tijdschrift voor parapsychologisch onderzoek) kom ik een artikel tegen van professor Dick Bierman betreffende het experimentator effect dat onvoorzien is opgetreden bij een experiment dat ik in mijn cursus – en ook in mijn boek – ten tonele voer als bevestiging van het de rol van het bewustzijn bij beïnvloeding van de interferentie van een twee-spleten experiment. Het experimentator effect is dat de verwachting van de experimentator de uitkomst van het experiment zodanig beïnvloedt dat die uitkomst diens verwachtingen bevestigd. Geen beste boodschap voor mijn cursus respectievelijk boek op het eerste gezicht. Maar op het tweede gezicht is het experiment juist een prima bevestiging van mijn opvatting dat het bewustzijn de ervaren werkelijkheid én haar historie creëert.

©The Truth about Forensic Science – The McShane Firm

Dubbele spleet beïnvloeding door de geest

Het artikel van Bierman betreft een experiment van Dean Radin waarbij proefpersonen gevraagd worden om zich te concentreren op een dubbele spleet opstelling in een electromagnetisch afgeschermde ruimte en zich daarbij voor te stellen dat de fotonen door een bepaalde spleet gaan. Het is zo langzamerhand wel experimenteel bevestigd en ook een door fysici geaccepteerd feit dat het inwinnen van informatie over welke spleet het foton op weg naar het scherm passeert het interferentiepatroon laat verdwijnen. Een veel geopperde verklaring daarvoor is dat die informatie de toestandsgolf al in de spleet in doet storten zodat het foton zich daar manifesteert. Onmiddellijk daarna ontstaat er dan weer een nieuwe toestandsgolf vanuit het in die ene spleet gemanifesteerde foton die tenslotte op het scherm als een waargenomen lichtpuntje arriveert. Maar aangezien er dan geen synchrone toestandsgolf uit de andere spleet meer komt kan er ook geen interferentie meer plaatsvinden waardoor het lichtpuntje ook op een normaal donkere plek terecht kan komen. Dus buiten de interferentie’banden’. Daar heb je nu eenmaal twee golven voor nodig.

Dubbele spleet experiment met intensiteitsverdeling op scherm

Er zijn tussen 2011 en 2014 zes series experimenten uitgevoerd, met in principe steeds dezelfde opzet. Proefpersonen werden gevraagd om met hun geest te proberen om het foton door één spleet te laten gaan. Als hun dat zou lukken dan zou, volgens de hypothese, de interferentie minder scherp worden, omdat, zoals hierboven uitgelegd, informatie over welke spleet het foton passeert de interferentie doet verdwijnen.

Experimentele opzet bij experimenten 1 t/m 4 zoals beschreven in de publikatie. De proefpersoon zit in de stoel, T3 is het dubbelspleet apparaat inclusief laser, dubbelspleet en CCD voor registratie van het interferentiepatroon . De PC is voor het tonen van het fringe-effect.

Het afnemen van de interferentie werd bepaald en vastgelegd door het verschil in helderheid tussen een maximum en een minimum te meten. De zogenaamde fringe-index. De procedure was enigszins geavanceerder dan dat maar in principe komt het daarop neer. De experimenten zijn in totaal zeven keer uitgevoerd, de zevende keer in 2013 en 2014 online, dus met proefpersonen via het internet op fysiek grote afstand van het experiment. Het totaal aantal sessies in de eerste zes experimenten (niet online) was 250 met 153 deelnemers, in het online experiment was dat 5738 sessies met 1479 deelnemers.

De totale uitkomst was dat er inderdaad een significant effect was met een kans van minder dan 1:166.000 op toeval. De proefpersonen kregen van tevoren uitgelegd wat het experiment behelsde en om ze te helpen bij het concentreren op de dubbelspleet kregen ze feedback door het verloop van de fringe-index te tonen op een scherm in de vorm van een lijn die omhoog (verslechteren) of omlaag (verbeteren) bewoog. Ze konden dus onmiddellijk hun resultaat zien en dát blijkt belangrijk.

Een programmeerfout en het einde van een interessante hypothese

Het computerprogramma dat de fringe-index aan de proefpersonen toonde bleek in de verbeterde 2014 versie een programmmeerfout opgelopen te hebben, zodanig dat het teken van de fringe-index consequent werd omgekeerd. Een verslechtering werd, vanwege die aanpassing aan het programma, getoond als een verbetering en omgekeerd. Wat bij die sessies van 2014 als een verslechtering van de fringe-index werd geïnterpreteerd door de proefpersoon bleek juist een verbetering ervan te zijn, het tegengestelde van de verwachting dus. De uitslag van het onderzoek van 2014 was dus ook dat er een significante verbetering van de fringe-index werd geconstateerd. Ineens gaf het experiment regelrecht aan de verwachting van de experimentatoren tegengestelde resultaten.

Dat betekent dat het idee van de directe beïnvloeding van de fotonen zoals die door de spleten zouden gaan van de tafel was. De visuele en auditieve terugkoppeling plus wat de proefpersonen daarover was geïnformeerd toonden dus consequent een positieve correlatie met hun pogingen om de getoonde fringe index ‘positief’ te beïnvloeden, in de richting dus van verslechterde interferentie. Maar het betekende nu dat bij deze ‘verkeerde’ sessies het interferentiepatroon juist verbeterde – scherper werd – in plaats van te verslechteren. Dat is niet meer in overeenstemming te brengen met de hypothese dat geconcentreerde aandacht fotonen in de spleten zou manifesteren.

De betere interpretatie

Wat betekent deze uitslag dan wel? Wat niet te ontkennen valt is dat de proefpersonen er in slaagden om met hun geest de interferentie meetbaar te beïnvloeden. Niet door aan fotonen in spleten te denken maar simpelweg door een lijntje op een scherm omhoog te proberen te ‘denken’. Net zoals de proefpersonen bij Helmut Schmidt de opdracht kregen om meer groene dan rode lampjes op te laten lichten. Dat die lampjes gestuurd werden door een QRNG die willekeurige nullen en enen produceerde die de lampjes aanstuurden is een technisch gegeven maar dat was niet de opdracht aan de proefpersonen. Die werden ook niet gevraagd meer nullen dan enen uit de QRNG te laten komen. Bedenk ook dat die nullen en enen op hun beurt weer een interpretatie zijn van elektrische spanningsverschillen.

Mensen blijken dus in elk geval in staat om de materiële werkelijkheid die ze waarnemen te beïnvloeden. Maar die beïnvloeding moet blijkbaar wel geholpen worden door een min of meer direct ervaarbare terugkoppeling zoals een lampje of een stipje op een scherm. In mijn ogen is dat zelfs bijzonderder dan directe effecten op fotonen. Het gaat hier om beïnvloeding van de onderliggende oorzaken van de waargenomen werkelijkheid zonder dat bewust aan de oorzaken gedacht wordt. De processen ‘onder de motorkap’ van die werkelijkheid worden dus zodanig beïnvloed dat datgene wat we waarnemen ‘meebeweegt’ met wat onze geest verwacht. Alsof je je auto bestuurt door op je tomtom een andere route op te geven.

Om namelijk de lijn op het scherm omhoog te laten bewegen moest, bij het gebruik van het 2014 computerprogramma, de interferentie verscherpen in plaats van verslechteren. Interferentie is de uitkomst van een kwantumfysische waarschijnlijkheidsverdeling. De intentie van de proefpersonen om de lijn op het scherm omhoog te bewegen had dus invloed op die waarschijnlijkheidsverdeling en wel zodanig dat de waargenomen werkelijkheid, de manifestatie van die waarschijnlijkheden, meer aan hun verwachtingen ging voldoen.

Het lijkt mij in elk geval onwaarschijnlijk dat de proefpersonen in staat waren met hun geest de lijn op het scherm rechtstreeks te beïnvloeden en dat die beweging omhoog op zijn beurt weer een in de tijd terugwerkend effect had op de interferentie. Dat is omgekeerde causaliteit. De interferentie was er in tijd namelijk eerder, al was het maar een microseconde, dan het beeld op het scherm. Daar zaten namelijk computerprocessen en internet communicatie tussen die nu eenmaal tijd nodig hebben.

Wij creëren de waargenomen werkelijkheid.

Inderdaad, wij creëren de waargenomen werkelijkheid, en terugwerkend in de tijd. Maar we doen dat blijkbaar met een deel van onze geest dat niet direct onder onze controle lijkt te zijn.