Het bewustzijn en de 4e dimensie

De discussie over bewustzijn is in

In de cursussen kwantumfysica en bewustzijn die ik regelmatig geef, laat ik zien dat het primaire bewustzijn de beste papieren heeft om de ‘vreemde’ effecten in de kwantumfysica, zoals het waarnemer effect en verstrengeling, te verklaren. Geen keihard bewijs natuurlijk, maar dat zullen we ook nooit krijgen. Keiharde bewijzen zijn er alleen voor mathematische stellingen. Voor de Big Bang hebben we ook geen hard bewijs en toch lijkt die algemeen aanvaard als verklaring voor het heelal dat we op dit moment waarnemen.

De weigering van veel mensen om het primaire bewustzijn zelfs maar te overwegen toonde zich voortreffelijk in een cursist die op de laatste cursusdag met mij in discussie ging over de nabij-de-dood-ervaring (NDE).  De NDE is namelijk juist met de aanname van het primair bewustzijn uitstekend te verklaren. Primair betekent namelijk dat het bewustzijn geen product van die bundel neuronen in uw hoofd kan zijn. Volgens hem was het bewezen dat de NDE een neurologisch verschijnsel zou zijn. Dat bewijs kon hij zo gauw niet leveren maar desondanks bleef hij 100% bij zijn overtuiging. We waren het eens dat we het niet eens waren. In elk geval levert het fenomeen bewustzijn veel discussie op, ook in de reguliere media zoals het NRC.

Ook in de NRC

Bewustzijn is dus behoorlijk in de belangstelling. Zeker in combinatie met AI. Als fysieke neuronen bewust kunnen worden dan kunnen transistors dat waarschijnlijk ook wel. Stel dat die verzameling transistors bewust kan worden, hebben we er dan een slaaf bij? Een bewuste slaaf die uiteindelijk tegen zijn meesters in opstand zal komen? Niet mijn idee en ook niet mijn angst.

Ook de NRC doet aan die bewustzijnsbelangstelling mee in NRC Future Affairs met Wouter van Noort en Jessica van der Schalk. De serie startte op 5 mei 2022, en telde 5 podcasts. De laatste op 22 juni 2022. Zelfs de kwantumfysica komt langs. De moeite waard van het beluisteren voor iedereen die op de hoogte wil blijven van de stand van zaken in het bewustzijnsonderzoek. De podcast kan nog steeds beluisterd – voor abonnees.

Bewustzijn een extra dimensie? Of panpsychisme?

De laatste aflevering van deze boeiende serie gaat over de vraag of bewustzijn niet een extra dimensie kan zijn, zoals ruimte en tijd dat al voor ons zijn. Als gast in die aflevering de hersenonderzoeker Jacob Jolij die het resultaat van zijn zoektocht naar de verklaring van het bewustzijn in 2020 vastlegde in een aardig boek ‘Wat is bewustzijn nou eigenlijk?’. De titel lijkt een antwoord te beloven maar levert dat helaas niet. In zijn boek over bewustzijn komt ook de kwantumfysica ter sprake.

Veel uitstekende wetenschappers, zoals Penrose en Hameroff, zoeken de verklaring van het bewustzijn namelijk in de kwantumfysica. En dan wel liefst daarbij gebruikmakend van een nogal materiële verklaring van de kwantumfysica. Helaas voor deze wetenschappers is het waarnemer effect dan onbegrijpelijk geworden. Ik kom verderop nog terug op het waarnemer effect.

Afbeelding met tekst, illustratie

Automatisch gegenereerde beschrijving

Jacob Jolij is na zijn zoektocht tot de conclusie gekomen dat bewustzijn geen product is van je neuronen is, maar een dimensie zoals tijd en ruimte. Goed beschouwd is dat natuurlijk geen verklaring. Je gaat door een nieuw label niet meer van bewustzijn begrijpen. Het is eigenlijk een stap terug naar de ‘Res Cogitans’ van Descartes. Er is materie in de vertrouwde drie dimensies en er is bewustzijn, een extra dimensie, twee zaken die niet tot elkaar te herleiden zijn. De een is fysiek, de ander wellicht niet. Dualisme dus. Het bezwaar tegen het idee van Descartes is dat de wisselwerking tussen die twee domeinen (dimensies?) fysisch niet te verklaren valt. Dat bezwaar is dan wel gestoeld op de – onbewezen, nogal dogmatische – aanname dat elke fysische actie altijd en alleen een fysische oorzaak heeft. Vergeet even de Big Bang hier. De vraag wat bewustzijn is, is wat Jacob betreft dan opgelost met het woord dimensie, want dat lijkt daardoor een fysisch element, zoals tijd en ruimte ook tot het fysische behoren. En dan kan de interactie misschien begrepen worden.

Het is dus eigenlijk een woordenspel wat hier gepresenteerd wordt. Vervang de ’Res Cogitans’ van Descartes door een woord uit het begrippenkader van de natuurkunde en je lijkt een verklaring gevonden te hebben.

Zijn dimensies fundamenteel?

Verder wil ik erop wijzen dat tijd geen fundamentele dimensie van de natuur is. Einstein toonde al aan dat ook tijd afhangt van de situatie van de waarnemer.  Ruimte daarmee overigens ook. In de kwantumfysica verschijnen tijd en ruimte in de bewustwording van een observatie van het verschijnen van het materiële object in de zogenaamde kwantumcollaps, de reductie van de kwantumgolf, het verdwijnen van de niet-materiële kwantumgolf en het gelijktijdige verschijnen van het object bij waarneming. Het object verschijnt namelijk inclusief zijn geschiedenis die dus ook op het moment van waarneming met terugwerkende kracht vastgelegd, en daarmee ‘waar’, wordt. Daarvoor bestond het object materieel niet, er was alleen een immateriële golf van potentie. Dat is het zogenaamde waarnemer effect. Een effect dat veel materialistisch denkende fysici hoofdbrekens bezorgde en nog steeds bezorgt, wat zich uit in tamelijk onbevredigende en vage verklaringen van de kwantumcollaps in overigens vaak verder uitstekende boeken.

Een dimensie is geen fysiek iets, het is een begrip, iets dat dus thuishoort in dezelfde categorie als gedachten. Daardoor is een dimensie dus niet iets wat de geest bevat maar is het juist andersom. Het fysieke en elke dimensie daarin is een product van de geest. Laten we het niet moeilijker maken dan het is.

Kwantumcollaps en het kosmisch bewustzijn.

Subject, object en synchroniciteit

Binnen- en buitenwereld

Bij de kwantumfysicacursus die ik geef op de Academie voor Geestewetenschappen is het de bedoeling dat de cursist een essay schrijft over wat de kwantumfysica haar voor inzichten heeft opgeleverd. In een zo’n essay vermeldde een cursiste dat ze het interferentiepatroon dat ontstaat bij dubbelspleetexperiment goed kon begrijpen maar dat ze niet helder kreeg dat, zodra er bij één van de spleten waargenomen wordt, het interferentiepatroon verdwijnt. Nadenkend over het verschil tussen die twee experimenten realiseerde ik me dat het probleem wellicht zit in de subject-object positie die we doorgaans hanteren.

Het gewone tweespleten experiment – waar dus niet gekeken wordt door welke spleet het object of de kwantumgolf gaat – is een voorbeeld van het beleven van een experiment zoals we dat doorgaans doen. We kijken naar de wereld zoals we gewend zijn van kleins af aan, namelijk alsof de waargenomen wereld geen deel uitmaakt van onze binnenwereld.

Zodra er bij de spleten ‘gekeken’ wordt verdwijnt het interferentiepatroon. Er is nog maar één golf per foton. Met veel fotonen ontstaat dan een enkele lichtvlek midden achter de spleten.
Even terzijde, ik ga er van uit dat het de kwantumgolf is en niet het gematerialiseerde object dat door een dan wel door beide spleten gaat. Dat verklaart de waargenomen interferentie net zo goed en bevat dus niet de bijkomende en dus onnodige veronderstelling dat het object even in de spleet materialiseerde ondanks dat het daar niet rechtstreeks waargenomen is. De veronderstelling dat het object in de spleet materialiseerde heeft als oorsprong het foute idee van permanente materie die als we even niet kijken weer in een kwantumtoestand vervalt. De interpretatie dat de toestandsgolf een waarschijnlijkheidsgolf is zolang er niet gemeten wordt, is voldoende om de verschijnselen te verklaren zonder dat er tussentijds nog iets materialiseert. Als de toestandsgolf door één spleet gaat dan is de waarschijnlijkheid dat we het deeltje daar zouden hebben aangetroffen wanneer we daar echt hadden gekeken 100%. Een waarschijnlijkheid van 100% is echter een getal in onze geest en dus niet hetzelfde als een materiële aanwezigheid. Zekerheid is nog steeds geen materie.

Maar zodra we merken dat ons kijken iets doet in het experiment – de toestandsgolf verandert van gedrag, zelfs met terugwerkende kracht, en gaat nu slechts door één van de twee spleten – worden we zelf een onderdeel van het experiment. Onze geestelijke binnenwereld raakt verstrengeld, letterlijk, met de waargenomen materiële buitenwereld. Dat zijn we absoluut niet gewend. Het intellect – dat is de manier waarop wij de wereld interpreteren – begrijpt het niet meer en deinst terug. Verwarring ontstaat.

De illusie van een gescheiden binnen- en buitenwereld

Hoe is dat op te lossen? De redenering is op zich logisch. Einstein zag het al in 1920 (en het stond hem zeer tegen). Als je kunt constateren door welke spleet het deeltje is gegaan dan is het dus niet meer mogelijk dat het door beide spleten is gegaan, al is dat in de vorm van een waarschijnlijkheidsgolf. Die zaken sluiten elkaar uit. Volstrekt logisch. De golf conformeert zijn gedrag dus aan onze kennis van de wereld. En op dat cruciale moment beseft het intellect een schending van zijn Ik ben hierbinnen en de wereld is daarbuiten en beiden zijn van elkaar onafhankelijk’ zekerheid hetgeen resulteert in verwarring en niet begrijpen. Volgens mij is de enige oplossing hier om via rustige introspectie de logica van deze constatering binnen te laten komen. De aanvaarding van het idee dat binnenwereld en de buitenwereld verbonden zijn en elkaar beïnvloeden heeft tijd nodig.

De gebruikelijke interpretatie is dat het object materialiseert in de spleet wanneer de spleet wordt geobserveerd en daarna weer als kwantumgolf doorgaat op weg naar het scherm. Het resultaat – het verdwijnen van het interferentiepatroon – is niet te onderscheiden van het verwachte effect van de reductie van de golf tot één spleet. De binnenwereld van de waarnemer heeft in het eerste geval een iets ander effect op de buitenwereld, materialisatie van het object in de spleet in plaats van de reductie van de golf. Maakt dat uit? Niks.

Wie manifesteert nu het object als onze binnenwerelden gescheiden zijn?

Synchroniciteit begrepen

Met andere woorden, de buitenwereld is net zo goed een wereld van de geest. Hetgeen het verschijnsel synchroniciteit uitstekend zou kunnen verklaren. Hoe het mogelijk is dat wij – elk individu – een binnenwereld hebben die niet gescheiden is van de buitenwereld wordt dan verklaard door aan te nemen dat die individualiteit uiteindelijk ook een illusie is, een vorm van vernauwd perspectief. Daarmee is de consensus die voor Eugene Wigner een onoverkomelijk probleem vormde overigens ook verklaard.

Binnen- en buitenwereld niet gescheiden

Kijken bij de spleet in de praktijk

‘Kijken bij’ de spleten is overdrachtelijk bedoeld bij deze experimenten. We hoeven alleen maar vast te kunnen stellen door welke spleet het object ging. Dat wordt doorgaans gedaan door twee verstrengelde fotonen te gebruiken waarvan er één door de spleten wordt gestuurd.

Het principe van ‘kijken’ bij de spleet. Een – hoogenergetisch -foton wordt gesplitst in twee fotonen die in twee richtingen vliegen, de signal en de idler. De signal fotonen gaan door een dubbelspleet en zullen normaal een interferentiepatroon laten zien bij X1. Het idler foton draagt ook de pad-informatie van het signal foton. Als die informatie wordt vastgelegd verdwijnt de interferentie bij X1. Voor meer uitleg verwijs ik naar een andere pagina op deze website.

Drie spleten

Golfgedrag van de toestandsgolf vermindert met de toename van onze informatie.

De vraag van wat er gebeurt bij het ‘kijken’ bij één van de spleten bij een drie-spleten experiment is natuurlijk ook interessant. Die vraag wordt nogal eens gesteld op mijn cursus. We weten dan wel iets maar niet voldoende om te weten door welke spleet het object elke keer ging. Als we het object niet zien – kans van 2:3 – dan gaat de toestandsgolf door de andere twee spleten en zal er interferentie optreden. Als we object wel ‘zien passeren’ – kans 1:3 – dan reduceert de golf tot de geobserveerde spleet en is er geen interferentie. Het patroon van lichte en donkere banden, dat ontstaat wanneer we grote aantallen fotonen afvuren, wordt minder scherp. Hoe minder informatie we kunnen hebben over het gevolgde pad, hoe sterker het golfkarakter wordt. Hoe meer informatie we kunnen hebben, hoe sterker het deeltjeskarakter getoond zal worden. Dat is bevestigd in een Koreaans experiment dat ik elders bespreek.

Conclusie

De illusie is dus niet die van de ervaring van een illusionaire materiële wereld, de illusie is die van de gescheidenheid tussen het mentale en het materiële. Er is geen harde scheiding tussen binnen- en buitenwereld. Observatie: de binnenwereld is onmiskenbaar ‘echt’. De buitenwereld daarom ook.

De betekenis van wat moet worden opgevat als echt verandert dienovereenkomstig.

De wetten van de natuur

Waarom gehoorzaamt de natuur toch aan wiskundige formules?

PPT - Die Zeit t --- physikalisch PowerPoint Presentation, free ...
Galilei onderzoekt de valbeweging. Zijn assistent telt zijn hartslagen voor de tijd die de rollende bal nodig heeft.

Sinds Galileo Galilei kennen we het idee van de mathematische wetten van de natuur. Een natuur die zich aan de exacte mathematische formuleringen ervan houdt. Onveranderlijke dwingende voorschriften waar de natuur zich aan te houden heeft. Het is sinds Galilei mogelijk gebleken om mathematische beschrijvingen van die wetten op te stellen. Het is de taak geworden van de fysicus om die te vinden zodat we het gedrag van het universum met steeds grotere precisie kunnen voorspellen. En ja, de toekomst kunnen voorspellen, dat willen we maar al te graag. Daar heeft de kwantumfysica trouwens wel een spaak in het wiel gestoken maar de troost daar is dat de toekomst van grote voorwerpen nog wel goed te voorspellen valt, hoe groter hoe preciezer, maar in het kleine verliezen wij die mogelijkheid.

Een kleine greep uit die ‘wetten’ die wij sinds Galilei ‘ontdekt’ hebben:

  • Actie en reactie zijn even groot en tegengesteld.
  • De eerste wet van Newton – de traagheidswet: Een voorwerp waarop geen resulterende kracht werkt, is in rust of beweegt zich rechtlijnig, met een constante snelheid voort.
  • Behoudswet van energie en massa. De hoeveelheid massa (plus energie) in het universum is constant. Er komt niets bij er gaat niets af. Massa is gestolde energie.
  • Relativiteitswetten: De tijd gaat langzamer in een zwaartekrachtveld. Hoe groter de zwaartekracht hoe langzamer de klok tikt.
  • De tweede wet van de thermodynamica: De entropie van een gesloten systeem kan alleen maar afnemen. Dat betekent in eenvoudige woorden dat de samenhang van de onderdelen van dat systeem, omdat het gesloten is, noodzakelijk uiteindelijk in chaos vervalt.
  • Onzekerheidswet van Heisenberg: Hoe groter de precisie waarmee de plaats van een object vastgesteld kan worden, hoe kleiner de precisie wordt waarmee we de snelheid kunnen vaststellen. En andersom.
  • Kwantumwet: De plaats en de snelheid van een object in tijd kunnen worden beschreven als een golf van mogelijkheden. De toestandsgolf. Die golf is – zonder grenzen – uitgebreid in tijd en plaats. Het is een golf van potentie. De intensiteit van die golf op een bepaalde plaats en tijd geeft de grootte van de kans aan dat we het object op die plaats en tijd bij een waarneming met een (on)zekere snelheid zullen aantreffen. Dit is eigenlijk geen wet maar een uiterst succesvolle interpretatie van de betekenis van de oplossing van de Schrödinger toestandsvergelijking. Experimenten hebben bevestigd dat het object vóór die waarneming nog geen snelheid en plaats heeft. Het bestaat dus vóór die waarneming nog niet.

Al deze wetten – en meer – die de mensheid in de laatste eeuwen ontdekt heeft zijn in mathematische formuleringen vastgelegd. Het gedrag van de natuur kan blijkbaar beschreven met wiskundige formules. Eigenlijk is dit een volslagen passief beeld van het universum. Het kan alleen maar re-ageren. Het heeft geen keuze in zijn reacties. Deze reacties volgen dan ook langs onwrikbare vaste wetten die zich laten beschrijven met de wiskunde. Veel prominente fysici hebben daar al hun verbazing over uitgesproken. De algemene opinie is dat de natuur zich altijd en overal maar aan deze wetten heeft te houden. Basta. Dat is de bron van de volgende uitspraak van Pierre-Simon Laplace (1814).

We kunnen de huidige staat van het universum beschouwen als het effect van zijn verleden en de oorzaak van zijn toekomst. 

Een intellect dat op een bepaald moment alle krachten zou kennen die de natuur in beweging zetten, en alle posities van alle objecten waaruit de natuur is samengesteld, zou, als dit intellect ook groot genoeg was om deze gegevens aan analyse te onderwerpen,  in één enkele formule de bewegingen van de grootste lichamen van het universum en die van het kleinste atoom kennen.
Voor een dergelijk intellect zou niets onzeker zijn en de toekomst zou net als het verleden onmiddellijk bekend zijn.

Dat alles in principe voorspelbaar zou zijn betekende niet alleen het einde van het toeval en van de vrije wil, maar ook dat die demon van Laplace in feite machteloos is. Hij weet alles maar moet werkeloos toezien op het verloop van de gebeurtenissen. Je zou bijna medelijden met hem krijgen. De uitspraak van Laplace is van vóór de ontdekking van de kwantumfysica, die de onvoorspelbaarheid van de natuur op atomaire schaal tot fundamenteel verklaart, maar heeft nog steeds een grote invloed op het denken.

Dat de mathematische formuleringen die we gevonden hebben tot wetten gepromoveerd zijn illustreert de behoefte van de mens aan zekerheden. Als iets maar vaak genoeg gebeurt dan maken we daar een zekerheid van. Net als die kalkoen die iedere dag vers voer krijgt van de boerin, dat tot een wetmatigheid zou kunnen verklaren – tot zijn verrassing met Kerstmis. Rupert Sheldrake werpt ook in onderstaande presentatie de knuppel in het kalkoenhok door te verklaren dat de zogenaamde natuurwetten ook maar gewoontes zijn van de natuur.

Zelfs God doet er beter aan zich aan de natuurwetten te houden

Wat is de plaats van God in dit alles? Voor de God die ons door de meeste religies is voorgeschoteld lijkt dat niet heel veel anders dan die van die arme demon. Alleen kan die God dan wel ingrijpen. Wat betekent dat hij de wetten van het universum op dat moment terzijde schuift. Iets wat we liever niet hebben, aangezien dat ons machteloos maakt. Wij hebben liever dat God zich aan de wetten houdt, dan hebben wij tenminste nog de (schijn)zekerheid van de uitkomsten van ons handelen, al staan we dan tegenover een almachtige entiteit, nietwaar?

Het verleden wordt vastgelegd door de waarneming in het NU

In de uitgestelde keus experimenten, die ik ook op deze website elders uitvoerig bespreek, is vastgesteld dat pas op het moment van waarneming wat in het verleden is gebeurd NU wordt vastgelegd. Kijk ook naar mijn Schrödinger stopwatch in gesloten doos gedachte experiment. Dat is makkelijker te begrijpen en zegt hetzelfde. Het verleden wordt bij waarneming vastgelegd in overeenstemming met de kennis die op dat moment tot onze beschikking staat. Daarvóór bestond dat verleden nog niet,

Dat is de onontkoombare conclusie van de uitgestelde keus experimenten. Als wij bij het dubbele spleet experiment kennis kunnen hebben van de spleet waar het foton doorheen gaat dan zal de toestandsgolf die dat foton beschrijft ook alleen maar door één spleet gaan. Ook als die kennis pas later tot ons komt. Dat volgt uit de uitkomsten van de uitgestelde keus experimenten. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat die uitkomst in strijd kan zijn met op later tijdstip opgedoken informatie. Dat zou een noodzakelijke aanpassing van het verleden en dus echte retro-causaliteit inhouden. Dat nog ongeziene informatie van invloed op de uitkomst van een experiment is, is een verbluffende maar onontkoombare conclusie. Het universum moet dus op de hoogte zijn van onze mogelijke kennis! Dit is inderdaad congruent met de wet van behoud van informatie die de kwantumfysici ontdekt hebben.

Kijken bij de spleet. Het object of zijn toestandsgolf manifesteert zich nu telkens in maar één van de spleten. Geen interferentie dus van elkaar ontmoetende golven. Wat de lichtvlek verklaart.

Overigens vormt dat creëren van het verleden bij waarneming ook een verklaring voor de schijnbare retrocausaliteit die optrad in de parapsychologische experimenten van Helmut Schmidt en Marilyn Schlitz waarvan ik er twee ( 1 en 2 ) uitgebreid beschrijf in mijn berichten.

Een intelligent en intentioneel opererend universum

Het universum zorgt er met andere woorden voor dat het allemaal achteraf klopt met de verwachtingen die wij ervan hebben op grond van beschikbare kennis, al is die op dat moment nog niet door ons gekend. Dat is wat mij betreft indrukwekkend intelligent gedrag van het universum. Het is dus op de hoogte van de kennis die tot onze beschikking staat en van onze verwachtingen op grond daarvan en zorgt er dan voor dat de gebeurtenissen met die kennis overeenkomen. Ook al ligt die kennis bij wijze van spreken nog ongezien maar wel beschikbaar in een la.

Dus die la is dan niet ongezien door het universum. En dat betekent dan uiteindelijk dan het Universum/God/de Bron/de Ene, wél een keus had en dus ingreep. Of dacht u soms dat die bron waar dit alles uit voorkomt geen keus had, dat die in hetzelfde parket zit als die betreurenswaardige machteloze demon van Laplace? Het universum grijpt dus voortdurend in op grond van mogelijke kennis – informatie dus – en onze verwachtingen.

De wet van behoud van informatie

En zo zijn we aangeland bij een wet die we niet genoemd hebben in het rijtje waar mee we begonnen. Een wet die de kwantumfysici in de loop van de vorige eeuw ontdekt hebben en net zo serieus nemen als de andere behoudswetten: Van een gesloten systeem is de totale hoeveelheid informatie constant. Fysici hebben ontdekt dat informatie een fysieke realiteit is en dus aan de behoudswetten moet voldoen. Ze drukken daarbij de informatie van een systeem uit in groepen van nullen en enen, bits dus.

Vertaal dat wat deze fysici onder informatie verstaan rustig in beschikbare kennis, de kennis die we kunnen verkrijgen over het systeem als we dat gaan onderzoeken. Maar ook die wet is dus niet een wet waar het universum maar blind aan heeft te gehoorzamen. Het is juist bijzonder actief bezig om ervoor te zorgen dat de beschikbare kennis klopt met wat er gebeurt.

De natuurwetten die wij ervaren zijn dus het gevolg van intelligent en intentioneel gedrag van Het Universum/God/de Bron/De Ene. Dat betekent dat die Bron alles wat er in het zichtbare en onzichtbare universum plaatsvindt tot in het allerkleinste detail in de gaten houdt en bestuurt, zodat wat wordt ervaren overeenkomt met de verwachtingen en kennis van elk waarnemend wezen in dat universum. En dat betekent mijns inziens dat als wij onze verwachtingen bijstellen, dat er geluisterd wordt.

Het wordt tijd om iets aan onze verwachtingen te doen

Onze verwachtingen zijn voor velen, op dit moment in de geschiedenis, die welke voortkomen uit het beeld van een verbijsterend groot maar volledig onverschillig universum, waar wij volslagen toevallig in verzeild zijn geraakt. Daarvan uitgaande zullen we er dan maar, in dat ene leven dat we hebben, het beste van moeten maken waarbij dat ‘beste’ sterk wordt beperkt door die oppermachtige onbuigzame natuurwetten. Het wordt daarom hoog tijd dat wij die verwachtingen bijstellen. Ik vermoed sterk op grond van het intentionele enoplettende karakter van het universum dat daarnaar geluisterd zal worden.

Elke waarnemer is een ander perspectief van én op het universum

En wat zijn wij, die waarnemers van het universum dan? Dat zou best eens het universum zelf kunnen zijn. Ik denk dat de gelijktijdigheid van al die waarnemingen daarbij voor het universum geen enkel probleem is. Het creëert de tijd immers zelf. Zie Schrödinger’s stopwatch. Het Unix operating systeem voor computers heeft daar overigens ook geen problemen mee vanwege de enorme snelheid van de processor, als ik daar een oneerbiedige vergelijking mee mag maken. Elke waarnemer is dan een eigen uniek perspectief van het universum op zichzelf, een bewust individueel kijkgaatje naar zichzelf.

Dat is meteen ook de oplossing van het consensus-probleem in de kwantumfysica dat Eugene Wigner – Nobelprijs winnaar natuurkunde – ertoe bracht om zijn overtuiging dat het bewustzijn een rol speelt in de reductie van de toestandsgolf – de kwantumcollaps – te laten varen. Hij verwarde zijn bewustzijn met dat van het universum.

The Healing Miracles of Jesus: A Study | Kenneth Copeland Ministries
Wonderen gebeuren echt. Elke dag. Overal.

Dat de natuurwetten regelmatig geschonden worden is eigenlijk overduidelijk. Dat is wat wij, die kijkgaatjes, wonderen noemen. Die zijn zo vaak en door meerdere getuigen beschreven en vastgelegd dat het tijd wordt dat wij meer gaan ‘geloven’ in Het Universum/God/de Bron/De Ene dan in die onveranderlijke onverschillige natuurwetten.

Met geloven bedoel ik echter niet dat het kritisch denken wordt opgeschort, integendeel.

Kwantumfysica en PSI

Kwantumfysica en psi klinkt op het eerste gehoor misschien als een vreemde combinatie. Maar bij nader inzien ligt de connectie zelfs voor de hand, overigens wel op een indirecte manier. De kwantumcollaps, de ineenstorting van de immateriële golffunctie en de manifestatie van het object bij waarneming, is een experimenteel vele malen bevestigd feit. Zolang je de materiele visie op de wereld, dat er slechts materie en energie is en meer niet, weigert op te geven zul je de wereld zoals de kwantumfysica die toont niet kunnen begrijpen. Berekeningen uitvoeren, dat wel en met groot succes, maar dat is niet hetzelfde als begrijpen.

“What I am going to tell you about is what we teach our physics students in the third or fourth year of graduate school…
It is my task to convince you not to turn away because you don’t understand it.
You see, my physics students don’t understand it…
That is because I don’t understand it.
Nobody does.”  

Richard Feynman  in een lezing over kwantumfysica.

Als we kunnen aanvaarden dat de wereld zich aan ons toont omdat wij haar waarnemen en dat we daarom een intrinsiek en noodzakelijk onderdeel van de wereld zijn wordt niet alleen de kwantumfysica begrijpelijk, maar ook psi want de wereld is in die visie primair mentaal. Kwantumverstrengeling zegt ons ook dat alles met elkaar verbonden is. Het zou nog beter zijn om hier het woord verbonden te mijden want dat impliceert gescheidenheid al is dat dan een gescheidenheid waarin alles met elkaar verbonden is. Alles is uiteindelijk één. Zelfs een kwantumfysicus zoals Heinrich Päs komt uiteindelijk tot die conclusie in zijn boek The One waar ik al eerder over schreef. Ook David Bohms Impliciete Orde is uiteindelijk een andere naam voor die ene bron waaruit alles, de expliciete orde, voorkomt.

Op die manier, als de geest nodig is voor materiele manifestatie en dus voorafgaat aan de materie zoals die in plaats en tijd aan ons verschijnt, wordt psi een zeer aanvaardbare en zelfs voorspelbare mogelijkheid. Als wij de wereld creëren, dan is het voor de hand liggend dat wij er ook invloed op uit kunnen oefenen. Talloze experimenten, zoals beïnvloeding van kwantumgeneratoren door intentie, hebben aangetoond dat psi een werkelijk effect is. En als wij door waarneming ook tijd creëren dan is het idee van het schouwen in de toekomst, iets dat in de psi categorie valt, ook niet zo gek. De kwantumgolf, zoals die uit de Schrödingervergelijking volgt, strekt zich uit in tijd zonder dat daar een eind aan te bespeuren valt. Dat eind, de kwantumcollaps, is het resultaat van waarneming, een actie die niet in die vergelijking te vangen valt. Dat wil dus zeggen dat de toekomst niet vastligt aangezien er nu eenmaal vele waarnemers zijn. Het schouwen in de toekomst is dus het schouwen van een mogelijke toekomst, iets dat gebeurt als wij geen actie ondernemen om die te voorkomen.

Sciencefiction als metafoor en voorspelling

In mijn jeugdjaren was ik een fervent lezer van sciencefiction. Sommige verhalen waren nog pakkender en op een of andere manier meer werkelijk dan andere zodat ik ze nog steeds kan navertellen. Waarom dat zo was, is denk ik omdat de schrijvers onbewust al een kijkje in de toekomst gaven. Het is altijd al de vraag waar schrijvers de inspiratie eigenlijk vandaan halen en dat zou dus best eens uit de toekomst kunnen zijn. De toekomst is een prachtige plek waar de schrijver een zeer grote vrijheid heeft in zijn keuze van de rekwisieten en de omgeving, wat helpt in het zodanig vormgeven van een verhaal dat het zo gelezen kan worden dat de lezer het verhaal ‘echt’ beleefd, zodat je er als het ware ingezogen wordt. Er zijn inderdaad veel voorbeelden van verhalen aan te wijzen waarbij het schouwen van de toekomst het geval lijkt te zijn. Denk aan de ondergang van de Titanic die tien jaar voor de ondergang in 1912 al opvallend accuraat in 1902 beschreven werd in ‘The Wreck of the Titan: or Futility’ door Morgan Robertson. Dat is geen sciencefiction roman zou je wellicht kunnen zeggen, maar het betrof wel een verhaal waar de toekomstige ontwikkeling van wetenschap en techniek een rol speelde. Een nabije toekomst, dat wel natuurlijk.

Een van de meer boeiende sciencefiction romans die ik las was ‘Deathworld’ van Harry Harrison, in het Nederlands in 1967 uitgekomen onder de naam ‘Doodsstrijd op Pyrrus’ bij Meulenhoff. Voor dat ik inga op toekomst voorspellende aspecten in sciencefiction een korte beschrijving van het verhaal.

De hoofdpersoon, de held, Jason dinAlt, heeft een psychische gave waarmee hij in zijn wat irreguliere bestaan voorziet door zijn winstkans in casino’s aanzienlijk te vergroten. Hij raakt verwikkeld in de strijd om het bestaan die gevoerd wordt in een menselijke kolonie op de planeet Pyrrus. Hij wint een fortuin in een casino bij een dringende opdracht, letterlijk met een pistool in zijn nek, voor een groep kolonisten van de planeet Pyrrus. Op zich al een spannende scène die het goed zou doen in een Hollywood film. De kolonie heeft namelijk grote behoefte aan geld om de strijd tegen de planeet te kunnen volhouden. Die strijd is er een tegen een natuur die zich met klauw en tand verzet tegen de kolonisten. Jezelf op straat begeven in de straten van de enige nederzetting is al levensgevaarlijk. De flora en fauna zijn razendsnel en uiterst dodelijk. Kinderen worden al in de kleuterklas hardhandig getraind in overlevingstactieken. Jason krijgt tot zijn schaamte een kleuter als beschermer en instructeur omdat dat nu eenmaal van levensbelang is voor hem. 
Jason komt intussen te weten dat er ook afstammelingen van weggelopen kolonisten zijn die er zonder geavanceerde technologie in slagen om die vijandige natuur te overleven en er zelfs te gedijen. De verhouding tussen de kolonisten en de weglopers is niet hartelijk, integendeel. Hij maakt contact met deze weglopers door eigenlijk te ontsnappen uit de nederzetting. Buiten de nederzetting aangeland merkt hij dat de hele natuur op Pyrrus psychisch is en dat al die psychische ‘energie’ tegen de nederzetting is gericht. De planeet is in feite hard bezig om een hardnekkige irritant te verwijderen van haar oppervlak. Die psychische energie is blijkbaar in staat om steeds mensvijandiger mutaties in de flora en fauna teweeg te brengen. De kolonisten hebben ooit die reactie van de planeet opgeroepen door destructief gedrag tegenover de inheemse flora en fauna, vertellen de weglopers hem. Jason brengt het contact op gang tussen de kolonisten in de nederzetting en de vermaledijde weglopers. De planeet is gesust als de mens maar respect voor de natuur toont. Eind goed al goed.

Er zijn vele voorbeelden waar sciencefiction een voorspelling deed die uitgekomen is. Is dat hier ook het geval? Welnu, het blijkt steeds overtuigender dat mutaties niet het gevolg van toeval zijn maar van een intelligente aanpassing aan uitdagende omstandigheden, en doet je dit verhaal bovendien niet ernstig denken aan de situatie waar de mensheid op dit moment duidelijk in verzeild geraakt is? Mij wel. De aarde begint te protesteren tegen onze aanwezigheid. Harrison zag het blijkbaar al aankomen in 1960. Psi en sciencefiction zijn een goede combinatie. Best wel.

Overigens, mijn nieuwe boek 'Quantum Physics & the Mind, a Crash Course' is uit.
Klik op de afbeelding voor meer info.

Een kwestie van gezond verstand

Voor een groot deel van de westerse mens, ook voor het meer spiritueel ingestelde, bevindt het bewustzijn zich in het lichaam en daarbij vooral in het hoofd. Voor een kleiner deel daarvan is het zelfs onbetwistbaar dat het ons hoofd is dat ons bewustzijn voortbrengt. Denk maar aan ‘Wij zijn ons brein’ van Dick Swaab. Voor al die mensen zou het volgende juist best eens een nuttige oefening kunnen zijn, bij voorkeur te doen op een rustig moment en een rustige plek waar de kans op afleiding klein is. Ga er eens rustig voor zitten dus.

Een oefening in lichaamsbewustzijn

Stap 1: Dit kan meteen de moeilijkste stap zijn in deze oefening. Realiseer je je namelijk dat de overtuiging dat er alleen maar materie en energie is en verder niets anders – materialisme – niet gebaseerd is op harde feiten. De kwantumfysica helpt je bij deze realisatie enorm. Lees ook ‘Why Materialism is Baloney‘ van Bernardo Kastrup. Realiseer je dus dat materialisme een geloof is dat je hebt verworven tijdens en door je opvoeding en dat je het hebt aanvaard alsof het een feit is.

Stap 2: Denk aan je lichaam. Ervaar het substantiële ervan. Realiseer je dan dat je bij dromen ook een substantieel lichaam lijkt te hebben dat actief is terwijl je ‘echte’ lichaam in diepe rust verkeert. Dat kan een lastige opdracht zijn voor mensen die zich hun dromen niet herinneren. Maar het is gebleken dat iedereen zich zijn dromen kan herinneren, het enige dat daar namelijk echt voor nodig is, is een vast voornemen bij het slapen gaan.

Stap 3: Realiseer je dat het lichaam dat je in je dromen ervaart een lichaam is dat zich in de geest bevindt terwijl je je, wanneer je wakker geworden bent, juist in dat lichaam lijkt te bevinden.

Stap 4: Bedenk dan dit: soms kan iemand dromen dat hij overlijdt. Tot zijn opluchting wordt de dromer dan wakker en kan dan even de tijd nodig hebben om de waarschijnlijk angstige droom van zich af te schudden. Die verwarring kan bij het wakker worden best even duren en zelf de rest van de dag nog wat verontrustend doorwerken.

Stap 5: Realiseer je dan dat het beslist niet onmogelijk is dat materie een product van de geest is. Daar helpt de kwantumfysica substantieel bij, mits je begrijpt wat die vertelt. Houdt die gedachte even vast als niet uit te sluiten mogelijkheid al ben je volstrekt van het tegendeel overtuigd. Dat is een belangrijk onderdeel van deze oefening in gezond verstand.

Stap 6: Als je die mogelijkheid kunt binnenlaten als gedachte, dat is volstrekt niet hetzelfde als de gedachte als waar accepteren, bedenk dan dat in dat geval het lichaam een product van de geest zou moeten zijn. De vraag waar de geest zich in het lichaam bevindt keert zich daarmee binnenstebuiten en wordt dan de vraag waar het lichaam zich in de geest bevindt. In dat geval zou het einde van het lichaam niet per se het einde van de geest kunnen betekenen. Mooie gedachte, niet?

Stap 7: Vraag je nu af wat er zou kunnen gebeuren met een geest die de vaste overtuiging heeft dat hij geproduceerd wordt door het lichaam, met name de hersenen, als dat lichaam ophoudt te bestaan. Denk aan de geestelijk behoorlijk ontwrichtende kortsluiting die daar zou kunnen ontstaan. Zoiets zou wel eens voor een onbepaalde tijd onaangenaam, zoiets als de hel, kunnen zijn.

Waarom dit nuttig zou kunnen zijn

Dat is de hele gedachteoefening eigenlijk. Waarom zou die nuttig kunnen zijn? Ik heb het sterke vermoeden dat als je die oefening hebt kunnen voltooien, liefst meerdere keren, hoogstwaarschijnlijk ontsnapt aan dat risico van de ontwrichtende kortsluiting die in de van er-is-alleen-materie overtuigde geest zou kunnen ontstaan bij de dood van het lichaam. Tenminste, gegeven dat de boodschap van de kwantumfysica, dat de materie een product is van de waarneming, inderdaad zou kloppen. En die boodschap wordt bij elk geavanceerd kwantumexperiment weer sterker bevestigd, vaak tot verrassing van de uitvoerders van het experiment.

Voorbereid zijn op eventuele verrassingen is niet onverstandig

Het doen van deze oefening, het even er de tijd voor nemen om iets te overwegen waarvan je wellicht geneigd bent om het zonder enig werkelijk nadenken reflexmatig te verwerpen, kan dus welzeker uiteindelijk een hele nuttige uitwerking hebben. Overweeg daarbij ook dat de enorme hoeveelheid gerapporteerde nabij-de-dood ervaringen, die zonder uitzondering vertellen dat de geest tot zijn grote verrassing nog bestaat en vaak enige tijd nodig heeft om zich te realiseren dat datgene wat hij meemaakt zijn eigen dood is, dus best eens op een heel grote fundamentele waarheid zou kunnen wijzen. Niet onbelangrijk dus. Gebruik je gezonde verstand, dat wil zeggen, herken reflexmatige tegenwerpingen voor wat ze zijn, vooroordelen namelijk, die al decennia in tegenspraak zijn met de door de moderne wetenschap vastgestelde feiten. Dat is moeilijk, maar beslist niet onmogelijk. En je hoeft niet van je geloof af te vallen, dat vraag ik hier niet, als je er maar van bewust wordt dat het een geloof is. Daarom ben ik zo dol op die kwantumfysica en haar relatie met de geest en raak ik er maar niet over uitgepraat.

De harde feiten over kwantumfysica op een rijtje

Voor degenen die nu nog even een opsomming zouden willen zien van die feiten, en de conclusies daarvan, die de kwantumfysica boven water heeft gebracht; houd je stoel vast:

  • Materie bestaat niet voordat het wordt waargenomen.
  • Voorafgaand aan de waarneming ervan is de realiteit een grenzeloos golfachtig veld van waarschijnlijkheden – of beter gezegd – mogelijkheden, dat niet in ruimte en tijd is begrensd.
  • Elke waarneming zet het universum ertoe aan om een unieke keuze te maken uit dit grenzeloze gebied van waarschijnlijkheden, zodat het onmiddellijk een object van materie of energie wordt. Dit is waarlijk creatie.
  • Waarneming creëert niet alleen materie of energie, maar doet dat ook in ruimte en tijd.
  • Ruimte en tijd zijn daarom niet onafhankelijk van onze waarneming, maar worden ook gecreëerd door onze observatie.
  • De uitkomst van elk experiment wordt beïnvloed door de informatie die het experiment kan verstrekken, maar wordt ook beperkt ook door de informatie die ons al ter beschikking staat. Dat kan een verklaring zijn voor het feit dat we er doorgaans met anderen over dat wat we ervaren het eens kunnen zijn.
  • Kwantumfysica is niet beperkt tot atomaire dimensies, het is van toepassing op elk object van elke grootte. Dit geldt zonder uitzondering voor alle bovenstaande verklaringen.
  • Als waarneming de realiteit creëert, is de waarnemende geest zeer waarschijnlijk nodig om de realiteit te creëren – inclusief haar geschiedenis – en kan daarom niet afhankelijk van het materiële brein zijn.
  • Alle objecten zijn, al vóór hun fysieke creatie door waarneming, onafhankelijk van hun onderlinge afstand in ruimte en tijd, immaterieel onmiddellijk verbonden. Dit wordt verstrengeling (entanglement) genoemd.
  • Als twee objecten een gemeenschappelijke geschiedenis hebben, wat dus eigenlijk onze informatie is, zullen ze aantoonbaar verstrengeld zijn.

Geloof dit vooral niet, denk zelf na, studeer. Gebruik je gezonde verstand, niet je neuronale voorgebakken reflexen.

The One

De grond van de wereld

Fysici beginnen langzamerhand in te zien dat de kwantumfysica meer over de wereld te vertellen heeft dan dat de kwantummechanica een weergaloos goede voorspeller is van fysieke verschijnselen. Het boek ‘The One’ van Heinrich Päs, professor theoretische fysica aan de TU Dortmund, is daar een uitnemend voorbeeld van. Hij komt tot de conclusie dat de kwantumfysica pas goed te begrijpen valt als we het bestaan van het kwantumuniversum accepteren als de grond van de wereld die wij waarnemen.

Het kwantumuniversum is de – immateriële maar evengoed werkelijke – versie van Everett’s multiversum, metafysica dus. Päs legt uit dat het aan het publiek gepresenteerde beeld van zich eindeloos splitsende materiële universa een verkeerd beeld is, dat in de wereld gekomen is door tegenstanders van het idee. Al die mogelijke universa bestaan welzeker, maar dan als toestandsgolven die gezamenlijk door hun onderlinge superposities één toestand vormen waaruit alle oscillaties tegenover elkaar zijn weggevallen. De éne, de on-bewegende immateriële bron van alles, waar ruimte, tijd en materie niet meer bestaan, zelfs niet als gedachte, maar waar alle diversiteit uit voorkomt. De Tao van Lao Tze.

Wat is dan dat idee van Everett?

Daarvoor moeten we ons eerst verdiepen in het grootste raadsel waar de kwantumfysica ons voor plaatste, de kwantumcollaps; het einde van de – onbegrensd in ruimte en tijd uitgebreide (niet lokale) – immateriële toestandsgolf die volgens de kwantumfysica interpretatie de kans voorstelt om het materiële deeltje bij meting aan te treffen waar, bij die meting, die golf abrupt eindigt. Het einde van die golf wordt echter niet voorspeld door de mathematica die de toestandsgolf beschrijft. Hoe de meting die abrupte overgang teweegbrengt is nog steeds niet bevredigend verklaard. De verklaring die het meest wordt gegeven is decoherentie, maar dat is in feite geen verklaring. Dat is niet veel meer dan een beschrijving van wat er gebeurt; dat een samenhangend geheel – de golf – plotseling zijn samenhang verliest en er slechts één element van dat geheel – het aangetroffen deeltje – overblijft. De naam verklaart niet hoe het werkt. Päs verklaart decoherentie als een effect dat veroorzaakt wordt door het noodzakelijk beperkte perspectief van de waarnemer op de kwantumgolf van het universum, die ene totale toestandsgolf waarin de toestandsgolven van alle mogelijke universa zijn samengevat, ‘gesuperponeerd’ in de taal van de fysicus. Veel verder gaat zijn verklaring niet.

Een goede metafoor die hij gebruikt is die van een volkomen stille oceaan die vanuit een groter perspectief gezien geen beweging vertoont maar die in die bewegingloosheid evengoed het resultaat kan zijn van eindeloos veel golven die elkaar in hun totaliteit precies opheffen. Golven kunnen elkaar precies opheffen, dat is wat we destructieve interferentie noemen. In een veel beperkter perspectief wordt dan dat ene stukje van die oceaan zichtbaar als iets dat afgescheiden lijkt te zijn van de rest. Helemaal begrijpen hoe dat werkt met dat perspectief, doe ik niet maar het is een interessant beeld en het kan in elk geval dienen als bruikbare metafoor voor de uitleg van het idee. In dat geval is het dan zo dat bij decoherentie, bij meting, de toestandsgolf dus niet in het niets verdwijnt maar alleen niet meer waarneembaar is vanuit het beperkte perspectief van de waarnemer. De waarnemer ziet nog maar een deel van het totaal.

Alles is waarnemer

Dan zijn we daarmee weer bij de waarnemer aangeland. Everett’s idee is dat elke mogelijkheid in de toestandsgolf bestaat waarbij ‘bestaan’ niet een materieel maar wel een werkelijk bestaan betekent. Bij het twee-spleten experiment bestaan volgens zijn voorstel beide mogelijkheden – het object gaat door de linker spleet én het gaat door de rechter spleet – beide in hun afzonderlijke immateriële werkelijkheden. In elke versie van die twee werkelijkheden bevindt zich een immateriële waarnemer die binnen zijn werkelijkheid slechts één mogelijke toestand waarneemt. Elke waarnemer is immers een waarnemend onderdeel van zijn werkelijkheid, die daarom alleen zijn werkelijkheid waarneemt. Daarmee vervalt die onverklaarde invloed van de waarnemer op de toestandsgolf die de kwantumcollaps van die golf zou teweegbrengen, er is helemaal geen collaps. Maar in plaats daarvan zijn er nu wel twee volledig identieke waarnemers.

Ik hoop dat u hieruit begrijpt dat er bij deze verklaring geen bijzondere eisen aan de waarnemer gesteld worden, zoals een waarnemend bewustzijn, een fotocamera is al ruim voldoende. De onderliggende voorwaarde voor dit scenario is dan ook dat bewustzijn een emergente eigenschap van het immateriële maar wel werkelijke brein van de waarnemer is. Beide waarnemers in beide universa zijn in (im)materieel opzicht volledig identiek aan elkaar en hebben dan ook een identiek bewustzijn, met hun identieke herinneringen. Het enige verschil, is hun waarneming op het moment van het experiment. Daar splitst hun universum, met hun erin, in tweeën.

Wat is werkelijk?

Multiversum interpretatie van Schrödingers levende én dode kat

Dit voorbeeld van ‘splitsende’ waarnemers in hun universa is om redenen van uitleg eenvoudig gehouden, veel eenvoudiger dan in elke praktijk van een echt twee-spleten experiment aan de hand is. In de praktijk zijn er bij dat experiment namelijk vele, vrijwel ontelbare, mogelijkheden waarop het object zich op het achterliggend scherm kan manifesteren en elke mogelijkheid betekent dus een ‘afgesplitst’ universum, inclusief kopie van de waarnemer. Ik hoop dat u inziet dat behoorlijk kan oplopen. Daarom benadrukt Päs dat al die mogelijke universa niet materieel zijn, al zijn ze dan wel werkelijk. De definitie van wat werkelijk is dient daarom bijgesteld. Maar op die manier gezien wordt ook een illusie, zelfs een droom, werkelijk, al zal Päs dat niet zo bedoelen.

Het emergente bewustzijn als voorwaarde

Door het bewustzijn als emergente eigenschap van het fysieke brein te beschouwen is deze gedachtegang mogelijk, het is er beslist een vereiste voorwaarde voor, en dat stelt Päs ook herhaaldelijk in zijn boek: ‘Of course, as long as we stick to the reasonable hypothesis that our consciousness is confined within our brains, …’. Päs sluit zich – na het bewustzijn als mogelijke oorzaak van de collaps in navolging van o.a. John von Neumann wel overwogen te hebben – aan bij het vrijwel eenstemmige oordeel van de neurologen (Tononi e.a.) dat het bewustzijn een product is van het brein. Vergeet hij nu dat de neurologie bij uitstek een reductionistische tak van de wetenschap is waar hij nu zelf in dat reductionisme een revolutionaire omwenteling teweeg wil brengen?

Monisme – geen nieuw idee – als redding van de fysica?

Het idee van het bestaan van een uiteindelijke bron van de werkelijkheid die één is, die geen gescheidenheid kent, geen afzonderlijke elementen bevat, geen tijd en ruimte kent, heet monisme. Päs besteedt een groot en uitermate boeiend deel van zijn boek aan de geschiedenis van het monisme. Een opvatting die al te vinden is in de Griekse oudheid bij figuren als Thales, Plato, Parmenides, Pythagoras, Philolaus, en onder de gezamenlijke noemer Platonisme onder te brengen is. Later steekt monisme als tegenstrever van het monotheïstische maar duale beeld dat de christelijke kerk uitdraagt herhaaldelijk de kop op in figuren als Giordano Bruno, Kepler, Copernicus, Meister Eckhart, Eriugena en ook weer veel later bij Spinoza en Kierkegaard.

De sterke reactionaire onderdrukking van hun duidelijk monistische ideeën, door marteling, brandstapel, excommunicatie en sociale uitsluiting, is volgens Päs de grondoorzaak van het feit dat het idee van een niet-materiële basis van onze werkelijkheid momenteel niet erg populair is, zeker niet onder de meeste fysici, al is daar wel een verandering in houding te bespeuren. Bohr en Heisenberg hebben daar ook nog een belangrijke rol in gespeeld door met het idee van complementariteit de onderliggende werkelijkheid van de toestandsgolf als niet relevant voor fysische theorieën te bestempelen en de aldus ontstane tegenstellingen, zoals golf en deeltje, als fundamenteel, dus niet verder ontleedbaar, te beschouwen. Zaak gesloten.

Volgens Päs is dat de oorzaak dat de fysica, met haar sterk reductionistische aanpak, op dit moment in een crisis geraakt is. Het onderzoek van de grondslagen van de materie is tot nu toe gezocht in het steeds kleinere waarvoor de benodigde energieën navenant steeds groter worden. Er is een einde aan die weg van reductionistisch onderzoek en die is nu wel ongeveer bereikt. Het is daarom tijd volgens Päs om monisme als uitgangsprincipe in de fysica te introduceren. De kwantumfysica en het kwantumuniversum wijst ons daarbij de weg.

Verstrengeling als ultieme schepper van eenheid en universele liefde

Volgens Päs is verstrengeling verreweg de belangrijkste factor in het kwantumuniversum. Het zorgt voor een verbondenheid van alles met alles en dus voor de eenheid van De Ene. Individuele eigenschappen van de delen houden op te bestaan ten gunste van een sterk vereend totaal. Hij citeert de Neoplatonist John Scotus Eriugena in: ‘Just as entanglement unites the universe in quantum cosmology, for Eriugena it is “the pacific embrace of universal love” that “ gathers all things together into the indivisible unity which is what He Himself is, and holds them inseparably together”. Hier legt hij, Päs, blijkbaar een verband tussen kwantumverstrengeling en wat Eriugena universele liefde noemt. Dat doet me onmiddellijk denken aan de NDE verslagen die vrijwel altijd over de overweldigende ervaring van universele liefde gaan. Ze bestaat werkelijk. Nu kunt u protesteren dat u en uw ex een gemeenschappelijke historie hebben en dus verstrengeld moeten zijn maar dat er in de huidige relatie geen sprake meer is van liefde. Päs zou – denk ik – zeggen dat dat een kwestie is van uw beperkte perspectief.

Erkent Päs hiermee de werkelijkheid van de universele liefde? Het zou wel eens anders kunnen liggen. Door verstrengeling en universele liefde op deze manier te koppelen zou hij ook hij de laatste tot de eerste kunnen reduceren. Het wordt dan iets dat onderzocht kan worden in het laboratorium van de fysicus en waar via meting getallen aan toe gekend zouden kunnen worden. Hij zou dan hetzelfde doen dat fysici gedaan hebben met de eigenlijk onbegrijpelijke mystiek van krachten op afstand, zoals we die ervaren bij zwaartekracht, elektriciteit en magnetisme; er een ‘veld’ van maken dat mathematisch beschreven en gemeten kan worden en zodoende het verschijnsel te reduceren tot iets wat tot het materiële universum hoort, reïficeren heet dat.

Hoe konden ze dit zolang geleden al weten?

Een belangrijke vraag is dan natuurlijk hoe de oude filosofen dit principe van de grond van onze werkelijkheid al doorhadden zonder dat ze beschikten over het technische instrumentarium waarover de wetenschap nu beschikt. De oude Grieken hadden niet veel meer dan hun eigen zintuigen en hun scherpe geest. Päs gaat in zijn boek hier kort op in en veronderstelt dat de vroege en primitieve mensheid in staat was tot een directere waarneming van ‘De Ene’ dan wij en dat deze inzichten daarna van generatie op generatie zijn overgeleverd. Dat zit toch erg dicht in de buurt van de veronderstelling van de algemene validiteit van mystieke ervaringen.

Samenvatting en commentaar

Op het eind van deze boekbespreking is het goed om de ideeën van Päs nog kort samen te vatten, voorzien van mijn eveneens korte commentaar:

  1. De waargenomen werkelijkheid is een illusie en komt voort uit het kwantum universum. Dat is in elk geval een opmerkelijke uitspraak van een fysicus.
  2. Het multiversum is het kwantumuniversum en is niet materieel. Het is één. Ook dat is opmerkelijk.
  3. In de schijnbare splitsing van het universum splitst zich ook de fysieke waarnemer én zijn geest in meerdere waarnemers die elk één uitkomst waarnemen. De kwantumcollaps is daarmee de indruk die elke afgesplitste waarnemer heeft omdat elk slechts één van de vele mogelijke uitkomsten waarneemt. Dat betekent een onderliggende aanname dat de geest een product van de fysieke hersenen is en die aanname is essentieel in deze verklaring van de kwantumcollaps. Daarmee worden de grote aantallen, vaak door derden geverifieerde, waarnemingen van mensen die het lichaam verlaten bij een dreigend fysiek einde en hun omgeving correct waarnemen (de NDE)  volledig genegeerd dan wel tot illusie wegverklaard.
  4. De waarnemer is in die opvatting daarom een fysiek object zodat eigenlijk elk fysiek object een waarnemer wordt. Dat is ook de conclusie die Rovelli en Hertog op hun manier uitdragen. Waarom bepaalde objecten, zoals lenzen, spiegels en zelfs reflecterende kristallen, daarvan vrijgesteld zijn is mij niet duidelijk.
  5. Maar aangezien de fysieke werkelijkheid volgens Päs een illusie is hebben we dus een illusie die waarneemt en aldus de waargenomen illusie creëert. Wie zoiets gelooft houdt zichzelf, wat mij betreft, voor de gek.
  6. De kwantumcollaps wordt veroorzaakt door decoherentie die een effect is van het beperkte perspectief van de waarnemer. Het mechanisme van decoherentie, hoe die teweeggebracht wordt, blijft onverklaard.
  7. Gezien de interferentie die de toestandsgolf altijd laat zien wanneer die door de dubbelspleet golft moeten al die universa dus interferentie vertonen. Dat kan alleen als al die universa inderdaad zelf ook niet-materiële toestandsgolven zijn. Dan kunnen ze inderdaad interfereren met elkaar, want het zijn golven. Daarmee zijn ze dus inderdaad niet materieel en bevatten dus ook geen materiële afsplitsingen van de waarnemer. Hoe een niet-materiele toestandsgolf dan emergent bewustzijn kan produceren is een wel zeer bijzondere aanname.
  8. Zoals Päs het kwantumuniversum beschrijft zit hij al zeer dicht bij het idee van de universele geest die dit alles voortbrengt en die door vele nabij de dood ervaringen ook precies zo beschreven wordt. Hij is er bijna.

Kortom: een boeiend, leerzaam en in het algemeen eerlijk boek van de zoektocht van een kwantumfysicus naar de betekenis en de toekomst van de kwantumfysica en een hoognodig begin van een afscheid van de er-is-alleen-materie visie.

De waarnemer en zijn meetinstrument

De klassieke waarneming, de objectieve meting

In de klassieke fysica speelt de menselijke waarnemer geen rol in dat wat waargenomen wordt of hoort dat althans niet te doen. Alles wordt bestudeerd vanuit het zogenaamde 3e persoonsperspectief. In alle experimenten dient enige invloed van de meting zo goed mogelijk uitgesloten te worden, al is er natuurlijk wel altijd enige invloed. Denk bijvoorbeeld aan de radardetectie van de snelheid van een auto. Het radarfoton kaatst terug van de auto en heeft dus een minuscule invloed op de snelheid van de auto. Maar dat effect is zo klein dat we dat rustig kunnen negeren in de praktijk. Beroep op dat soort meetfouten bij het digitaal loket verkeer zal geen gehoor krijgen. De elektriciteitsmeter verbruikt zelf ook een heel klein beetje energie waar de klant niets aan heeft bij de meting. Maar protesteren bij de energieleverancier zal weinig opleveren, ben ik bang.

De waarneming in de kwantumfysica

In de kwantumfysica – een loot aan de tak van de fysica die in zijn enorme succes de fundamentele rol van klassieke fysica heeft overgenomen – is dat echter niet zo, de manier waarop we meten is van essentiële invloed op dat wat we meten. Daar is geen twijfel meer over. Is dat nu de invloed van het meetinstrument of van de experimentator? De discussie over wat precies een meting is, is na 120 jaar kwantumfysica nog steeds niet echt beslist. John von Neumann – een van de eerste kwantumfysici – heeft al gezegd dat het waargenomen object en het waarnemende instrument niet fysiek op een of andere manier met elkaar verbonden zijn om zo de kwantumcollaps te veroorzaken. Beide zijn uiteindelijk samengesteld uit fundamentele deeltjes die zolang ze niet gemeten zijn zich als een immateriële golf van potentie zullen gedragen, de toestandsgolf. Beide toestandsgolven zullen zich bij een meting met elkaar vermengen, maar elkaar daarbij niet laten instorten, net als twee elkaar ontmoetende golven door elkaar heen zullen lopen zonder elkaar te elimineren. Bij de ontmoeting golven ze even samen en daarna golven ze gewoon verder. Er is volgens von Neumann daarom geen enkele aanleiding om een speciale beïnvloedende rol aan het fysieke meetinstrument toe te kennen inzake het einde van de toestandsgolf, de zogenaamde kwantumcollaps. Zijn inzicht werd genegeerd aangezien de invloed van de waarnemer en zijn bewustzijn niet objectief meetbaar was en er dus liever buiten gelaten werd. Wat het nog erger maakt is dat de toestandsgolf wel een golf is die we met de fysica formeel – dwz met getallen en symbolen – in principe kunnen beschrijven, berekenen en voorspellen, maar dat die golf zelf niet materieel waarneembaar is, niet eens materieel bestaat. Het is een golf van waarschijnlijkheden en dat zijn uiteindelijk mathematische constructies van de geest.

Is dan alles waarnemer?

Zodra je meet echter, houdt de immateriële golf op te bestaan en vinden we een van de vele mogelijkheden, het deeltje, dat geen golf is. Dat wordt ook zo geformuleerd in de Kopenhaagse interpretatie van Bohr en Heisenberg. Langzamerhand is het inzicht van Von Neumann, Bohr en Heisenberg – vooral vanwege enkele geavanceerde kwantumfysische experimenten zoals het uitgestelde keuze-experiment – zodanig bevestigd dat de waarnemer, die het waargenomene fysiek verwerkelijkt, niet meer te negeren is bij het fundamentele begrip van de natuur, zoals de fysica dat nastreeft. Hetgeen o.a. Carlo Rovelli heeft genoopt om dan maar letterlijk alles tot waarnemer van elkaar te bombarderen. Elk deeltje bestaat volgens hem alleen in relatie tot een ander deeltje. Mijn vraag is natuurlijk hoe dat werkt als beide deeltjes – nog – niet materieel bestaan en het dan wel klaarspelen om eerst in relatie met elkaar te komen en dan daardoor materieel te worden. Naar mijn gevoel is hier de volgorde verkeerd. Kosmoloog en kwantumfysicus Thomas Hertog beschrijft in ‘Het Ontstaan van de Tijd’ ook iets dergelijks waardoor alle dingen waarnemers worden die de kwantumgolf doen instorten en materie verschijnt. Maar dingen zijn toch ook van materie gemaakt die eerst zelf moet instorten? Dus – om de echte vraag te stellen – wat verstaan we nu precies onder een waarnemer en wat voor rol speelt die eigenlijk?

Wat is een waarnemer volgens de kwantumfysica?

Alternative realities Wigner’s friend experiment 2019

In veel kwantumfysische experimenten – vooral die de afhankelijkheid van de waarnemer proberen te onderzoeken – wordt de rol van de waarnemer tot nog toe door een instrument uitgevoerd. De vraag is of dat het juiste perspectief is. In de bovenstaande figuur van een bijzonder ingewikkeld experiment, gebaseerd op Eugene Wigners gedachte-experiment met meerdere waarnemers, is dat in elk geval op die manier geïmplementeerd. In dat experiment wordt binnen een gesloten omgeving een experiment uitgevoerd. Een van de zogenaamde waarnemers bevindt zich binnen die gesloten omgeving en neemt dus het resultaat van zijn experiment direct waar, de toestandsgolf is voor die waarnemer en door de waarneming overgegaan in een waargenomen deeltje. Maar buiten de gesloten omgeving bevindt zich een tweede waarnemer waarvoor de inhoud van die gesloten omgeving nog steeds een toestandsgolf is omdat hij de inhoud van de grotere doos nog niet waargenomen heeft. Pas als die externe waarnemer de inhoud van de gesloten omgeving, de grotere doos, kan waarnemen eindigt voor hem de toestandsgolf en wordt de meting van het deeltje een feit, het krijgt wat de tweede waarnemer betreft dan pas zijn fysieke eigenschappen. Wie van deze waarnemers is nu degene die het gemeten deeltje met zijn eigenschappen teweegbrengt?

De poppetjes binnen en buiten de doosjes, die hier de waarnemers moeten voorstellen, zijn in dit experiment fysieke meetinstrumenten en missen dus het bewustzijn waardoor ze hun waarneming ook zouden kunnen interpreteren. Is dat interpreterende bewustzijn hier eigenlijk dus nodig? De experimentatoren denken blijkbaar van niet. Overigens was de uitkomst van het experiment al zodanig dat we aan het bestaan van een objectieve materiële wereld waar consensus regeert, waarin een feit gewoon een feit is, onafhankelijk van wie het waarneemt, zouden kunnen gaan twijfelen.

Is bewustzijn echt nodig? Is interpretatie nodig?

Kan een fysiek instrument zijn omgeving waarnemen en die waarneming dan interpreteren? Ik noem hier expres iets dat een fysiek instrument volgens mij niet kan, hoe geavanceerd ook, namelijk interpretatie. Het toekennen van betekenis, bedoel ik daarmee. Dat is hetgeen waar deze hele discussie eigenlijk om draait. Wat is interpreteren? Kan een fysiek instrument dat? De experimentatoren denken van wel en dat past helemaal in het materialistisch beeld van de wereld waarin de mens slechts een complexe machine is die in principe beschreven kan worden als het resultaat van zijn onderdelen. Het brein is in hun visie een geavanceerde computer, toevallig ontstaan in het evolutionaire proces van de overleving van de meest geschikte biologische machines, en kan dus qua brein rustig vervangen worden door een niet-biologische geavanceerde AI-machine zoals bijvoorbeeld ChatGPT. Interpretatie is in die visie niet verschillend van een berekening. Is er dus wel of geen verschil, en wat is dan het verschil? Omdat ook maar proberen te beantwoorden moeten we de discussie toch maar wat vereenvoudigen en maar eens kijken naar de essentiële verschillen tussen een eenvoudig ‘waarnemend’ meetinstrument als een cv-thermostaat en een biologische waarnemer.

Kan een fysiek instrument een waarnemer zijn?

Wat is het verschil tussen de cv-thermostaat en het biologische wezen dat voor een aangename omgevingstemperatuur afhankelijk is van zijn cv-thermostaat? Is er een fundamenteel verschil, fundamenteel in de fysieke zin? De thermostaat ‘voelt’ de omgevingstemperatuur, bepaalt of die afwijkt van de ingestelde waarde en stuurt vervolgens de cv aan. Is dat interpretatie? Is dat dus een meting? Dat lijken mij essentiële vragen al kan daar, vermoed ik, nog niet een echt 100% waterdicht antwoord op gegeven worden. Maar ik doe toch een poging.

Wat laat de toestandsgolf instorten?

We zouden daarvoor de volgende vraag kunnen stellen. Hoe is het mogelijk dat een fysiek instrument, dat zelf niet waargenomen wordt en dus in een toestandsgolf verkeert, de toestandsgolf doet instorten (reduceert)? Denk aan die cv-thermostaat. Die doet zijn werk ook als er niemand aanwezig is en men vergeten is om de gewenste temperatuur aan te passen bij een paar dagen afwezigheid. Als je dan na een paar dagen thuiskomt merk je dat het huis lekker warm is, dat de thermostaat dus nog aan staat en concludeer je op dat moment dat gedurende jouw afwezigheid de cv voor niets heeft staan stoken. Die conclusie – het was voor niks – is interpretatie. Dat kon je onbewuste thermostaat dus niet bedenken, anders had die wel iets anders gedaan. Kun je die onbewuste thermostaat nu een waarnemer noemen? Heeft de thermostaat de toestandsgolf die onder andere je cv-ketel, de radiatoren en de temperatuur in je huis bevat doen instorten tot een fysiek huisverwarmende cv? Elke keer dat die de temperatuur mat? Hoe dan?

Echte waarnemers interpreteren

Ik denk dat het inderdaad om interpretatie gaat. Het toekennen van de betekenis van een waarneming. Dat doet een instrument niet. Ik moet de thermostaat eerst vertellen, programmeren heet dat, wat een prettige temperatuur is, dat kan die zelf niet want een dergelijk instrument heeft geen weet van ‘prettig’. Nu zul je misschien aanvoeren dat een geavanceerde AI als ChatGPT dat wel zou kunnen. Maar daarvoor zou ChatGPT wel eerst een gigantische database moeten doorzoeken op gegevens over prettige temperaturen voor menselijke wezens. En hoe is die database gevoed? Juist. Door menselijke wezens die wat zij een prettige temperatuur vonden, er eerst in gebracht hebben. Hadden ze dat niet gedaan dan had ChatGPT geen antwoord geproduceerd. Niet op de vraag wat een aangename temperatuur is, misschien wel op de vraag welke temperatuur een biologisch wezen als de mens nodig heeft. Maar dat bedoel ik niet met aangenaam. Dat is namelijk geen in getallen uit te drukken ervaring. Altijd, en zonder uitzondering, is de vraag naar de betekenis van een waarneming, de interpretatie ervan, terug te voeren op een waarneming door een wezen dat zijn waarneming zelf bewust kon interpreteren als aangenaam of onaangenaam, rood of groen, hard of zacht, nat of droog, mooi of lelijk. Dan kun je pas beseffen dat in de afwezigheid van mensen het ‘aangenaam’ zijn van de temperatuur nergens op slaat. Zoiets zal de thermostaat uit eigen beweging niet bedenken. Natuurlijk kan zoiets geprogrammeerd worden, maar dan is daar altijd weer uiteindelijk iemand voor nodig die zoiets eerst bedenkt en dan als proces programmeert.

Bewuste interpretatie is altijd het slotstuk van het experiment

Dat er uiteindelijk een bewuste interpreteerder nodig is, geldt volgens mij zonder uitzondering voor elk experiment. Zelfs voor een run van de Large Hadron Collider in Geneve. Uiteindelijk wordt het resultaat bekeken door een bewust wezen dat er betekenis aan toekent. We vernemen dan uiteindelijk wel de betekenis, maar daar wordt meestal niet bij vermeld dat daar altijd weer een persoon aan te pas kwam. Dat is namelijk zo ontzettend vanzelfsprekend dat dat niet expliciet genoemd hoeft te worden. Dat betekent wel dat een essentieel onderdeel bij de rapportage van een experiment nooit wordt genoemd. De uitslag van de meting was X, en dat betekent Y. En dat laatste stukje ‘en dat betekent Y’, daar gaat het om. Dat is namelijk de interpretatie van een persoon en daarmee de eigenlijke beleving van de wereld. Daarmee is het einde van de toestandsgolf die daarvoor nog alle mogelijkheden bevatte een feit geworden. Dat einde met die ene mogelijkheid bevat dan ook de voorafgaande geschiedenis. Zoals in voorgaand voorbeeld over de cv meteen de geschiedenis van het ongewenste gasverbruik gedurende jouw afwezigheid een feit is geworden na jouw vaststelling ervan. Dat feit is dan na de kwantumcollaps door de waarneming – helaas – niet meer te veranderen. Dat noemen we dan een feit. Iets waarover consensus kan bestaan.

Wat is dan de rol van een registrerend meetinstrument?

Even genoeg stilgestaan bij de waarnemer. Wat is een meetinstrument in deze context? De eis lijkt te zijn dat het moet kunnen registreren. Daarmee vallen al een bepaalde klasse van passieve meetinstrumenten af. Denk aan de meetlat bijvoorbeeld, die verricht zelf geen registratie. Dat is dus een volstrekt passief meetinstrument in tegenstelling tot zo’n geavanceerde cv-thermostaat die het binnenshuis temperatuurverloop patroon onthoudt om te anticiperen op het volgende moment van opwarmen. Dat lijkt een mooi criterium, meten plus registratie, maar is nu een voltmeter aangesloten op een recorder wel of geen waarnemer? Is de fotondetector aangesloten op een coïncidentiedetector in een geavanceerd dubbelspleet experiment een waarnemer? Probeer daarom, om die vraag te kunnen beantwoorden, je eens in te denken hoe een registrerend meetinstrument het geregistreerde object of de toestandsgolf zou kunnen beïnvloeden en vooral waarom een ander gelijksoortig instrument dat niet zou doen. Neem bijvoorbeeld een massief ijzeren staaf. Dat lijkt geen registrerend instrument, tot je bedenkt dat de staaf uitzet of krimpt naargelang zijn temperatuur. De staaf meet op die manier de temperatuur. Als de staaf lang genoeg is en op een slimme manier verbonden aan een schrijfstift en een rol papier zou je het verloop van de temperatuur kunnen registreren. De verandering van de lengte van de staaf levert de informatie over het verloop van de temperatuur. Je kunt de staaf met stift en papier dus ook, in deze context, zien als een registrerend meetinstrument. Maar omdat we er op een ingenieuze wijze gebruik van maken zou hetzelfde passieve instrument ineens wel een waarnemer worden die de kwantumgolf doet instorten. Dat is inconsequent geredeneerd.

Je zult een willekeurige ijzeren staaf dus niet gauw aanmerken als waarnemend meetinstrument. Als je op deze wijze gaat nadenken over registrerende meetinstrumenten wordt het idee van het instrument als waarnemer dus inconsequent en daarmee uiterst aanvechtbaar. Of een instrument registreert of niet zou dan niet bepaald worden door zijn fysische eigenschappen maar door de manier waarop wij er gebruik van maken, en dan komt de bewuste waarnemer meteen weer om de hoek kijken. Uiteindelijk moeten we dus beginnen te erkennen dat ook bij een instrument dat meet en registreert de uitslag pas resulteert in een echte waarneming – de waarneming die de kwantumcollaps doet plaatsvinden – als er door een bewuste waarnemer naar gekeken wordt. Als we dat als werkelijke verklaring accepteren dan hebben we wellicht een aanvaardbaar bruikbaar en consequent criterium voor de definitie van een meting en meteen ook voor de aanleiding van de kwantumcollaps, de materiële manifestatie van de wereld.

Conclusie

Er is uiteindelijk dus altijd een bewuste waarnemer nodig voor een echte meting. Het meetinstrument is dan niets anders dan een verlengstuk van onze zintuigen en kan niet de aanleiding zijn voor de kwantumcollaps, het verschijnen van de materie in onze wereld. Dat heeft een diepgaande betekenis voor ons ervaren van de wereld. Wij zijn essentieel in het verhaal. Wij maken een essentieel onderdeel uit van de wereld. Door haar waar te nemen en dus te ervaren.

Een Crash Course Kwantumfysica en Bewustzijn

De kwantumfysica is de meest succesvolle fysische theorie die we op dit moment hebben. De voorspellingen zijn uiterst succesvol. Maar het lijkt of niemand begrijpt wat die theorie wil zeggen over de wereld. Absurde interpretaties, zoals het multiversum waarin letterlijk alles tegelijk gebeurt wat er maar zou kunnen gebeuren, worden serieus besproken. Absurde interpretaties zijn echter helemaal niet nodig. Veel fysici en ook niet-fysici hebben de boodschap al wel begrepen, ondanks luid protest uit de materialistisch georiënteerde hoek dat bewustzijn geen rol zou spelen.

Waarom ondersteunt de kwantumfysica het primaire bewustzijn? Wat zegt dat over ons? Wat zegt dit over de materie? Die vragen probeer ik te beantwoorden in deze crash course kwantumfysica en bewustzijn voor de niet-fysicus van 1 uur. Ook zeer geschikt voor beginnende fysici.

Richard Feynman moet gezegd hebben dat als je denkt dat je kwantumfysica begrijpt, dat je er niets van begrepen hebt. Maar hij zei ook dat de beste manier om iets van de kwantumfysica te begrijpen het dubbele spleet experiment is. Dat experiment toont ondubbelzinnig aan dat de grond van alle werkelijkheid niet materieel is en zich golfvormig gedraagt. Een golf die we op geen enkele manier rechtstreeks kunnen waarnemen, maar die wel alles wat we waarnemen vorm en historie geeft. We zullen het dubbele spleet experiment dus kritisch bekijken.

Neem je tijd en een kop koffie. Neem rustig pauzes tussendoor ook al heet het een Crash Course. En blijf vooral zelf kritisch denken. Dat wil ook zeggen dat je je eigen gedachten en bezwaren ook kritisch zult moeten beoordelen.

Een inzicht dat de wereld op zijn kop zou kunnen zetten

Kwantumbewustzijn gefalsifiëerd?

Quantumbewustzijn op losse schroeven door ondergronds experiment

Op vrijdag 5 augustus 2022 verschijnt dit artikel met bovenstaande naam in NewScientist. Ik kreeg meteen van twee kanten vragen over wat dit betekent voor de hypothese van het primaire bewustzijn die ik verdedig in mijn boek en op mijn website. Eigenlijk goed nieuws, maar dat zal ik wel even uit moeten leggen.

Het artikel gaat over de zogenaamde Orchestrated Objective Reduction (Orch OR)-theorie van fysicus Roger Penrose en anesthesioloog Stuart Hameroff. Dit is wat deze theorie zegt in het kort:

Er kunnen superposities van kwantumtoestanden ontstaan in je brein, in zogeheten microtubuli (kleine eiwitstructuren in de zenuwcellen in het brein). Een bewuste ervaring vindt plaats op het moment dat die superposities instorten’.

Orchestrated Objective Reduction – Orch OR gefalsifiëerd

Afbeelding uit ‘A review of the ‘Orch OR’ theory’: Microtubules die via de kwantumcollaps informatie verwerken. Dat zou dan bewuste ervaring genereren.

Dit is dus goedbeschouwd een van de theorieën die bewustzijn proberen te verklaren als uiteindelijk een product van de hersenen. Dit keer dan wel als een product van kwantumtoestanden in de hersenen. Het instorten van de superposities – de kwantumcollaps – wordt gezien als fysiek, de superposities zijn alle fysiek – alle mogelijkheden bestaan echt – en gaan dan bij de ineenstorting over in slechts één van alle mogelijkheden, de rest verdwijnt spoorloos in het ‘kwantumniets’.

Als die ineenstorting fysiek is, en dat denken Penrose en Hameroff, dan betekent het een kleine verandering in de totale elektrische lading en volgens de wetten van Maxwell moet er dan een klein elektromagnetisch signaal gegenereerd worden. Dat is dan het signaal wat de onderzoekers, die de Orch OR theorie wilden testen, onderzochten in de diepe grotten van Gran Sasso waar verstoringen van de metingen door kosmische straling zo klein mogelijk zijn omdat die eerst door dikke lagen gesteente heen moeten. Een hoogstwaarschijnlijk kostbaar onderzoek dat opleverde dat de kwantumcollaps geen elektrische signalen genereert. Hiermee is dan een van de basisveronderstellingen van Orch OR gefalsifieerd. Mooi, opgeruimd staat netjes. Eén hypothese minder over de relatie kwantumfysica en bewustzijn. Goed nieuws dus. We hebben er al meer dan genoeg.

Maar de Orch OR theorie heeft volstrekt niets te maken met de hypothese van het primair bewustzijn. Ik hoop dat u dat begrijpt. Orch OR is een loot van de theorieën die bewustzijn proberen te verklaren vanuit het materiële, hier met een snufje kwantumfysica waarbij dat snufje uiteindelijk ook weer een materiële hypothese is. De primair bewustzijn hypothese is dat materie een secundair verschijnsel is dat door dat bewustzijn wordt gecreëerd bij de waarneming. Dat is iets volstrekt anders.

Kan Primair Bewustzijn ook gefalisifiëerd?

Mocht je de hypothese van het primair bewustzijn willen falsifiëren dan kan dat een stuk eenvoudiger en goedkoper dan met een mediageniek experiment diep onder de Gran Sasso. De hypothese van primair bewustzijn is in mijn boek gebaseerd op het begrip informatie. De informatie die een meting of observatie kan opleveren bepaalt hoe het geobserveerde object zich gedraagt of heeft gedragen. Het is steeds duidelijker aan het worden in experimenten dat hoe minder informatie een meting oplevert hoe meer golfgedrag wordt vertoond. Het meest extreme voorbeeld daarvan is het effect dat wanneer gekeken wordt door welke spleet van de dubbelspleet het object ging, het kenmerkende interferentiepatroon, de lichte en donkere banden verdwijnen in een enkele uitgespreide vlek. Nog steeds het resultaat van een golf maar nu van een die door slechts één spleet ging. De onontkoombare conclusie is dan dat het object zich in slechts één spleet gemanifesteerd moet hebben – als antwoord op het feit dat de informatie die we konden verkrijgen daar precies over ging. Dat het om informatie gaat is echter geen bewijs dat het om het bewustzijn van de waarnemer gaat al moeten we ons afvragen of informatie nog wel iets betekent als het niet in ons bewustzijn verschijnt. Maar, net zoals het ineenstorten van de kwantumgolf een elektrisch signaal zou moeten produceren een basisaanname is van Orch OR, is de ineenstorting van de kwantumgolf door beschikbare informatie een basisaanname van het primair bewustzijn. Als we die aanname kunnen falsifiëren dan wordt het lastig voor die hypothese.

De kwantuminformatiewisser kan dat

De kwantum informatiewisser experimenten zijn een goede stap in die richting maar voor het falsifiëren van de informatiehypothese moet er nog iets aan gesleuteld worden. In alle kwantumwisser experimenten gebeurt het onherroepelijk vernietigen van de informatie over de gekozen spleet door een halfdoorlatende spiegel. En laat dat nu net een fysiek onderdeel zijn waarvan elke fysicus, die de Kopenhaagse interpretatie min of meer volgt, vreemd genoeg automatisch aanneemt dat het een uitzondering vormt op de regel dat een fysiek object, als het maar massief genoeg is, de kwantumcollaps teweegbrengt. De kwantumcollaps vindt volgens zo’n fysicus plaats in en door de detector en niet door de halfdoorlatende spiegel of andere optische onderdelen. Mijn suggestie is echter dat de kwantumgolf pas instort op grond van de informatie die beschikbaar is. Dus niet door de detector maar door het vernemen van het resultaat van de detector. Dat wil zeggen dat, als we die informatie pas na het passeren van de detector onherroepelijk vernietigen vóórdat iemand die gezien kan hebben, het interferentiepatroon van lichte en donkere lijnen weer getoond wordt. Zo’n precisie experiment is zonder meer uitvoerbaar in een willekeurig goed uitgerust universitair optisch laboratorium.

Aangepaste kwantumwisser. Het wel of niet wissen van de pad informatie gebeurt hier ná detectie door D3 en D4 en wordt gestuurd door de QRNG toevalsgenerator.© Paul J. van Leeuwen

In het bovenstaande figuur kun je zien dat de kwantumwisser onderdelen – twee simpele schakelaars – zich direct achter de detectoren bevinden. De set-up is een redelijk eenvoudige aanpassing, eigenlijk een drastische versimpeling, van een in 1999 uitgevoerd kwantumwisser experiment op de Maryland universiteit in Baltimore. Dat experiment wordt nogal eens ge- of misbruikt door er-is-alleen-materie fysici om de onzin van de kwantumwisser aan te tonen aangezien het 1999 Maryland experiment een fundamentele fout in zijn opzet had waardoor de conclusie niet gewettigd was. De debunkers gaan dan gemakshalve voorbij aan de correcte én geslaagde kwantumwisser experimenten die naderhand gedaan zijn aan dezelfde universiteit. Voor diegenen die zich willen verdiepen in deze ‘harde’ kwantumwisser verwijs ik naar deze pagina op mijn website of naar hoofdstuk 13: ’Falsifieerbaarheid van het bewustzijnsmodel’ in mijn boek.

Het wachten is dus op onderzoekers die deze kans om de primaire bewustzijn hypothese te kunnen falsifiëren niet voorbij willen laten gaan. Geen Gran Sasso nodig. De NewScientist lezer wacht op ze en ik ook.

Laboratori Nazionali del Gran Sasso, Italië

Wat als ..?

Een goede manier om wetenschap te bedrijven is de vraag ‘Wat als .. ?’ stellen. Doorgaans is dat de eerste stap in een hypothese. De volgende stap in zo’n exercitie is dan onderzoeken op hoeveel onbeantwoorde vragen je daarmee een bevredigend antwoord vindt. Ook de verschijnselen en experimenten die niet kloppen met de hypothese dienen aan bod te komen. Als die niet kloppen kan de ‘Wat als ..?’ aanname verworpen te worden als onmogelijk of onwaarschijnlijk. Vooroordelen dienen daarbij vermeden te worden. Bij elkaar is dat wat ik noem: ‘Onderzoek met een open geest’. Zet de bullshit detector daarom even uit. Die is wel snel maar niet echt betrouwbaar. Denk aan ‘Thinking Fast and Slow’ door Daniël Kahnemann.

Isaac Newton moet op die manier ook een wat-als gedachte gevolgd hebben: ‘Wat als de hemellichamen elkaar aantrekken met een kracht die afhangt van hun onderlinge afstand?’. Een in zijn tijd behoorlijk absurde veronderstelling gezien de vraag hoe een dergelijke kracht door de lege ruimte uitgeoefend kon worden, al hadden we al wel ervaring met krachten op afstand zoals magnetisme. Die kracht-op-afstand kwestie is in feite vandaag nog steeds niet echt beantwoord maar zijn wat-als vraag leverde wel de klassieke zwaartekracht mechanica op die prachtig bevestigd werd door Edmund Halley’s komeet.

The Case against Reality

Een meer recent voorbeeld van wat-als denken en dan kijken of er naast verklaringen aperte conflicten met de harde feiten ontstaan is wat mij betreft ‘The Case against Reality’ van Donald Hoffman. Wat als de werkelijkheid die onze zintuigen ons voorschotelt slechts een constructie is die onze zintuigen er samen met onze hersenen ervan fabriceren? Hoffman is cognitief psycholoog en beargumenteert op overtuigende manier dat onze zintuigen ontwikkeld zijn in een darwinistische evolutie waarin het verschijnen van het meest geschikte organisme – lees hier ook zintuig voor – steeds de beste kansen voor het voortbestaan bood.

Daarvan uitgaande kunnen we het volgende zeggen:

  • Het is niet nodig dat het beeld dat onze zintuigen ons voorschotelen overeenkomt met de werkelijkheid, wat die ook moge zijn. Wat wij zien als gunstig voor ons overleven – een appel aan een boom, een boterham, een glas water – is slechts een vertaling die maakt dat wij zodanig handelen dat wij voortbestaan en kunnen voortplanten, in dit geval het voedsel pakken en consumeren. Vergelijkbaar met een VR programma waar de werkelijke acties in de computer ook verborgen zijn en voor ons vertaald worden in een voor ons begrijpelijk beeld. Het is volstrekt niet nodig dat die vertaling ook de werkelijkheid is, als onze reactie maar adequaat is. Dus hier zien we geen apert conflict met onze ervaringen.
  • Hoffmans idee sluit in grote trekken aan bij het idealisme van Bernardo Kastrup. Onze zintuigen en hersenen, zeg maar ons hele lichaam, zijn volgens Kastrup niet materieel en bestaan niet in een van ons gescheiden toestand.  Het zijn complexe ervaringen die ons bewustzijn binnenkomen via een soort vertaalslag (Kastrup spreekt over een dashboard) en slechts binnen dat bewustzijn ervaren worden. De materiële werkelijkheid als iets dat buiten ons bestaat is een illusie. Ook hier geen aperte conflicten met onze ervaringen, al is daar wel voor nodig dat we onze bullshit detector uitzetten.
  • De vraag wat bewustzijn ­– datgene wat ervaart – is, is niet beantwoord, noch door Hoffman, noch door Kastrup. Het is echter wel de grond waar beider filosofie op rust. Op zich is dat geen argument ertegen aangezien er geen enkele filosofie is waar bewustzijn fundamenteel verklaard wordt. Neurologen komen ook niet verder dan speculeren over een wazige onbegrepen emergentie uit een complex brein zoals mist uit water oprijst, maar dat is beslist geen fundamentele verklaring.

Al met al arriveren we daarmee bij het wat-als idee van het primaire bewustzijn. Materie, en de ervaring ervan, zijn producten van het bewustzijn. Met primair bewustzijn bedoel ik veel meer dan ons dagelijkse waakbewustzijn dat daar waarschijnlijk maar een klein deel van uit maakt. De volgende stap is nu of we met de hypothese van het primaire bewustzijn verschijnselen kunnen verklaren die we tot nog toe niet konden verklaren met het materialistische paradigma – het zogenaamde fysicalisme. Vervolgens moeten we dan natuurlijk ook kijken of er verschijnselen zijn die ermee in tegenspraak zijn. Dat is de wetenschappelijke manier.

Stap 1 – Verklaringen van waargenomen verschijnselen

Welke verschijnselen kan de hypothese van het primaire bewustzijn verklaren waar het fysicalisme het volledig laat afweten, ik noem er hier negen:

  • Kwantumfysica: De kwantumfysica lijkt ons te zeggen dat de informatie die de waarnemer tot zijn beschikking heeft de geobserveerde werkelijkheid in tijd en ruimte creëert. Daar zijn uitstekende argumenten voor. Ik heb daar een heel boek over gepubliceerd. Als de werkelijkheid een constructie is van ons bewustzijn – inclusief onze zintuigen – dan biedt dat een verklaring voor de anders onbegrijpelijke resultaten van de kwantumfysica zoals objecten die op meerdere plaatsen tegelijk kunnen zijn en met elkaar verstrengeld zijn over astronomische afstanden.
  • Relativiteitsdilatatie: De speciale relativiteit zegt dat wanneer wij een bewegend object zoals een raket, een kogel of een elementair deeltje, waarnemen, de meetlatten, of wat daarvoor door kan gaan, in dat object korter worden en de tijd langzamer verloopt naarmate de relatieve snelheid ten opzichte van ons groter is. Dit is door vele experimenten bevestigd. Dit relativiteitseffect is niet te begrijpen vanuit de ideeën van solide permanente materie, vaste ruimte en tijd. Maar als het bewustzijn van de waarnemer de wereld creëert is dat ineens beter te begrijpen. Materie, ruimte en tijd krijgen dan dezelfde eigenschappen als gedachten (James Jeans: ‘The stream of knowledge is heading towards a non-mechanical reality; the Universe begins to look more like a great thought than like a great machine. Mind no longer appears to be an accidental intruder into the realm of matter… we ought rather hail it as the creator and governor of the realm of matter.’.
  • Veldkrachten: Zwaartekracht, elektromagnetische kracht, de sterke en de zwakke kernkracht zijn allemaal veldkrachten. Ze werken op afstand zonder dat er via direct contact kracht overbrengende materie aan te pas komt, zoals bij biljartballen. Als de wereld alleen uit materie bestaat dan zijn veldkrachten eigenlijk niet goed te begrijpen, ook niet via de gekromde ruimtetijd dimensies van de algemene relativiteit van Einstein. Maar als het bewustzijn de werkelijkheid creëert dan worden veldkrachten ook weer niet fundamenteel verschillend van gedachten.
  • Dromen: Al dromend creëren we fantastische virtuele werkelijkheden soms compleet met alle mogelijke zintuigelijke indrukken, zien, horen, voelen, proeven, ruiken. Je ziet kleuren, hoort geluiden, betast voorwerpen. Maar probeer eens zo’n realistische ervaring op te roepen in de waaktoestand (zonder hallucinogene middelen). Probeer de ervaring van het zien van de kleur rood of het oppakken en voelen van de afmetingen en de zwaarte van een voorwerp maar eens op te roepen als een echte beleving. Desnoods met de ogen dicht. Het resultaat is nooit meer dan een flauwe afschaduwing van een echte ervaring. Het verbaast mij altijd hoe weinig verbazingwekkend het wordt gevonden dat we überhaupt kunnen dromen. Als het bewustzijn inderdaad in staat is om de realiteit te creëren dan is dromen niet meer zo verschillend van wat we in onze dagelijkse wereld doen.
  • Blindzien: Nicola Farmer heeft een school opgericht – de ICU-academie – waar kinderen kunnen leren om geblinddoekt te lezen, te tekenen en met ballen te spelen. Nicola leidt ook leraren op die dit aan kinderen kunnen leren. Dit blindzien is door onafhankelijke waarnemers bevestigd en vastgelegd in een reportage. Blijkbaar hebben we onze ogen niet per se nodig om te kunnen waarnemen. Vanuit het idee van het primaire bewustzijn is dit te begrijpen aangezien dat wat de kinderen ‘zien’ de creatie is van het bewustzijn zelf. Blindzien is ook een door neurologen erkend fenomeen, maar die wijten het aan een anders dan normale visuele verwerking die uiteindelijk toch gebaseerd is op de signalen die onze ogen aan de hersenen doorgeven. Dat kan bij deze kinderen niet het geval zijn.
  • Psychokinese (Pk): Pk is in laboratoriumexperimenten bevestigd, al gaat het dan doorgaans om micro-Pk.  Dit is niets anders dan het primaire bewustzijn in directe actie.
  • De NDE (Nabij-de-dood-ervaring): Sinds het boek ‘Life After Life’ van Raymond Moody – uitgekomen in 1975 – is de wereldwijde belangstelling voor de NDE geëxplodeerd en zijn grote aantallen mensen met hun ervaring naar voren gekomen. De Near-Death Experience Research Foundation (NDERF) heeft op haar website sinds 2000 meer dan 5000 ervaringen verzameld. De schatting is dat tussen 3 en 5% van de wereldbevolking een NDE heeft gehad. Het primaire bewustzijn geeft een uitstekende verklaring voor een dergelijk breed gerapporteerd verschijnsel aangezien het primair zijn van het bewustzijn betekent dat het niet afhankelijk kan zijn van een materieel brein en dus – na het overlijden van het lichaam – zelfstandig kan blijven bestaan en waarnemen. De bewering van skeptici dat de NDE neurologisch verklaard is, is – sorry – bullshit.
  • De ADC (After-death-communication): De After Death Communication Research Foundation (ADCERF) heeft sinds het begin van deze eeuw ruim 2000 gerapporteerde ervaringen van contact met kortgeleden overleden geliefde personen en dieren verzameld. Peilingen leveren op dat meer dan 50% van de mensen kort na het overlijden van een partner, kind of geliefd huisdier een ADC-ervaring heeft. Lees ‘The Departed among the Living‘ van Erlendur Haraldsson. Ook dit verschijnsel is prima verklaarbaar vanuit het niet-materieel voortlevend primair bewustzijn.
  • Evolutie: De overheersende neodarwinistische visie op het ontstaan van het leven en de evolutie – alles berust op toeval en het overleven van het geschiktste organisme plus een paar miljard jaar van enkelvoudige lokale mutaties in het DNA – staat op het punt van omvallen. Lees ‘Evolution 2.0’ van Perry Marshall, ‘Evolution: A view from the 21th Century, Fortified’ van James Shapiro of ‘Active Biological Evolution’ van Frank Laukien. Alle leven, van virussen en eencellige organismen tot ‘moderne’ dieren en planten, reageert op uitdagingen van zijn omgeving door actief zijn hele genetische machinerie (niet slechts het DNA) aan te passen. Verbazingwekkend vaak met succes en ook nog eens overerfbaar naar de volgende generaties. Het niet meer de kop in te drukken vermoeden dat hier een intelligente reactie op de ervaringen van het organisme plaatsvindt begint steeds meer aandacht te krijgen. Het primair bewustzijn, aangenomen dat het ook intelligent is (een tamelijk voor de hand liggende veronderstelling), biedt een goede verklaring.

Stap 2 – Conflicten met ervaringen

Zijn er verschijnselen die in conflict zijn met de hypothese van het primaire bewustzijn? Het lijkt op het eerste gezicht (onze bullshit detector) wel zo:

  • De ervaring van soliditeit: De werkelijkheid zoals wij die ervaren is solide. We kunnen niet door een muur wandelen. Als we ons stoten doet dat zeer. Als we vallen raken we gewond. Voorwerpen die ergens zijn achtergelaten blijven daar totdat wij – of anderen – ze weer verplaatsen. Materie verschijnt niet uit het niets en verdwijnt ook niet zomaar in het niets. Dat zou tegen de bekende en bevestigde behoudswetten ingaan.
  • Meerdere waarnemers: Als mijn bewustzijn de wereld en alles daarin creëert dan ontstaat er een probleem met meerdere waarnemers (lees ‘Tom Poes en de Kwanten’ van Marten Toonder, een aanrader).
  • De vrije wil: Waarom – aangenomen dat ik een vrije wil heb – kan ik niet de wereld creëren die ik mij wens. Ik kan geen materie naar wens creëren of laten verdwijnen. Dat laatste kan overigens betwijfeld worden als je het boek – JOTT – van Mary Rose Barrington serieus neemt.
  • Het ‘Kwaad’: Waarom bestaat het kwaad? Op zich is dat niet een fysisch te omschrijven conflict maar desalniettemin een terechte vraag. Als het bewustzijn de wereld creëert waarom dan ook het Kwaad? Die vraag is voer voor filosofen.

Ik hoop dat u inziet dat in alle bovenstaande punten de aanname verborgen zit dat het primaire bewustzijn identiek is aan het individuele dagbewustzijn van de mens. Dat is niet noodzakelijk het geval. Wanneer we die aanname kunnen laten vervallen, verdwijnen alle bovenstaande punten als geldige conflicten waarmee de hypothese van het primaire bewustzijn verworpen zou kunnen worden.

Verder is het bovenstaand niet bedoeld als een pleidooi voor idealistisch monisme, zoals bijvoorbeeld Kastrup voorstaat, en dat het bestaan van materie volledig ontkent. De meeste punten in stap 1 kunnen ook verklaard worden vanuit de dualistische visie dat materie en bewustzijn naast elkaar bestaan en elkaar kunnen beïnvloeden. Iets dat René Descartes in zijn Discours de la Méthode veronderstelde. De vraag die in dat dualisme echter niet beantwoord wordt is hoe die twee intrinsiek verschillende zaken, materie en bewustzijn, elkaar kunnen beïnvloeden.

Conclusie

Deze wat-als exercitie levert wat mij betreft in ruime mate bevestiging op dat de hypothese van het primaire bewustzijn op zijn minst de moeite waard is om serieus te nemen. Al is het vast niet de ultieme wetenschappelijke verklaring van alles, het kan veel verklaren wat vanuit het fysicalistische perspectief gezien domweg onverklaarbaar is en vanwege de algemene voorkeur voor dat perspectief het liefst wordt genegeerd of ontkend.

Nog een boekentip

Through Two Doors at Once van Anil Ananthaswamy. Het twee-spleten experiment, dat door Richard Feynman als de deur naar het begrijpen van de onbegrijpelijkheid van de kwantumfysica wordt genoemd, wordt door Anasthaswamy boeiend en over het algemeen helder behandeld. Van het eerste experiment door Young tot de uitgestelde keus kwantumwisser experimenten. Engels. In de boekhandel € 17,95, bij Parimar Den Haag slechts €7,90.