Binnen- en buitenwereld
Bij de kwantumfysicacursus die ik geef op de Academie voor Geestewetenschappen is het de bedoeling dat de cursist een essay schrijft over wat de kwantumfysica haar voor inzichten heeft opgeleverd. In een zo’n essay vermeldde een cursiste dat ze het interferentiepatroon dat ontstaat bij dubbelspleetexperiment goed kon begrijpen maar dat ze niet helder kreeg dat, zodra er bij één van de spleten waargenomen wordt, het interferentiepatroon verdwijnt. Nadenkend over het verschil tussen die twee experimenten realiseerde ik me dat het probleem wellicht zit in de subject-object positie die we doorgaans hanteren.
Het gewone tweespleten experiment – waar dus niet gekeken wordt door welke spleet het object of de kwantumgolf gaat – is een voorbeeld van het beleven van een experiment zoals we dat doorgaans doen. We kijken naar de wereld zoals we gewend zijn van kleins af aan, namelijk alsof de waargenomen wereld geen deel uitmaakt van onze binnenwereld.
Even terzijde, ik ga er van uit dat het de kwantumgolf is en niet het gematerialiseerde object dat door een dan wel door beide spleten gaat. Dat verklaart de waargenomen interferentie net zo goed en bevat dus niet de bijkomende en dus onnodige veronderstelling dat het object even in de spleet materialiseerde ondanks dat het daar niet rechtstreeks waargenomen is. De veronderstelling dat het object in de spleet materialiseerde heeft als oorsprong het foute idee van permanente materie die als we even niet kijken weer in een kwantumtoestand vervalt. De interpretatie dat de toestandsgolf een waarschijnlijkheidsgolf is zolang er niet gemeten wordt, is voldoende om de verschijnselen te verklaren zonder dat er tussentijds nog iets materialiseert. Als de toestandsgolf door één spleet gaat dan is de waarschijnlijkheid dat we het deeltje daar zouden hebben aangetroffen wanneer we daar echt hadden gekeken 100%. Een waarschijnlijkheid van 100% is echter een getal in onze geest en dus niet hetzelfde als een materiële aanwezigheid. Zekerheid is nog steeds geen materie.
Maar zodra we merken dat ons kijken iets doet in het experiment – de toestandsgolf verandert van gedrag, zelfs met terugwerkende kracht, en gaat nu slechts door één van de twee spleten – worden we zelf een onderdeel van het experiment. Onze geestelijke binnenwereld raakt verstrengeld, letterlijk, met de waargenomen materiële buitenwereld. Dat zijn we absoluut niet gewend. Het intellect – dat is de manier waarop wij de wereld interpreteren – begrijpt het niet meer en deinst terug. Verwarring ontstaat.
De illusie van een gescheiden binnen- en buitenwereld
Hoe is dat op te lossen? De redenering is op zich logisch. Einstein zag het al in 1920 (en het stond hem zeer tegen). Als je kunt constateren door welke spleet het deeltje is gegaan dan is het dus niet meer mogelijk dat het door beide spleten is gegaan, al is dat in de vorm van een waarschijnlijkheidsgolf. Die zaken sluiten elkaar uit. Volstrekt logisch. De golf conformeert zijn gedrag dus aan onze kennis van de wereld. En op dat cruciale moment beseft het intellect een schending van zijn ‘Ik ben hierbinnen en de wereld is daarbuiten en beiden zijn van elkaar onafhankelijk’ zekerheid hetgeen resulteert in verwarring en niet begrijpen. Volgens mij is de enige oplossing hier om via rustige introspectie de logica van deze constatering binnen te laten komen. De aanvaarding van het idee dat binnenwereld en de buitenwereld verbonden zijn en elkaar beïnvloeden heeft tijd nodig.
De gebruikelijke interpretatie is dat het object materialiseert in de spleet wanneer de spleet wordt geobserveerd en daarna weer als kwantumgolf doorgaat op weg naar het scherm. Het resultaat – het verdwijnen van het interferentiepatroon – is niet te onderscheiden van het verwachte effect van de reductie van de golf tot één spleet. De binnenwereld van de waarnemer heeft in het eerste geval een iets ander effect op de buitenwereld, materialisatie van het object in de spleet in plaats van de reductie van de golf. Maakt dat uit? Niks.
Synchroniciteit begrepen
Met andere woorden, de buitenwereld is net zo goed een wereld van de geest. Hetgeen het verschijnsel synchroniciteit uitstekend zou kunnen verklaren. Hoe het mogelijk is dat wij – elk individu – een binnenwereld hebben die niet gescheiden is van de buitenwereld wordt dan verklaard door aan te nemen dat die individualiteit uiteindelijk ook een illusie is, een vorm van vernauwd perspectief. Daarmee is de consensus die voor Eugene Wigner een onoverkomelijk probleem vormde overigens ook verklaard.
Kijken bij de spleet in de praktijk
‘Kijken bij’ de spleten is overdrachtelijk bedoeld bij deze experimenten. We hoeven alleen maar vast te kunnen stellen door welke spleet het object ging. Dat wordt doorgaans gedaan door twee verstrengelde fotonen te gebruiken waarvan er één door de spleten wordt gestuurd.
Drie spleten
De vraag van wat er gebeurt bij het ‘kijken’ bij één van de spleten bij een drie-spleten experiment is natuurlijk ook interessant. Die vraag wordt nogal eens gesteld op mijn cursus. We weten dan wel iets maar niet voldoende om te weten door welke spleet het object elke keer ging. Als we het object niet zien – kans van 2:3 – dan gaat de toestandsgolf door de andere twee spleten en zal er interferentie optreden. Als we object wel ‘zien passeren’ – kans 1:3 – dan reduceert de golf tot de geobserveerde spleet en is er geen interferentie. Het patroon van lichte en donkere banden, dat ontstaat wanneer we grote aantallen fotonen afvuren, wordt minder scherp. Hoe minder informatie we kunnen hebben over het gevolgde pad, hoe sterker het golfkarakter wordt. Hoe meer informatie we kunnen hebben, hoe sterker het deeltjeskarakter getoond zal worden. Dat is bevestigd in een Koreaans experiment dat ik elders bespreek.
Conclusie
De illusie is dus niet die van de ervaring van een illusionaire materiële wereld, de illusie is die van de gescheidenheid tussen het mentale en het materiële. Er is geen harde scheiding tussen binnen- en buitenwereld. Observatie: de binnenwereld is onmiskenbaar ‘echt’. De buitenwereld daarom ook.
De betekenis van wat moet worden opgevat als echt verandert dienovereenkomstig.
Ir. Paul J. van Leeuwen MSc studeerde af in de technische natuurkunde in 1974 aan de TU Delft. Kwantumfysica was nog geen onderdeel van zijn curriculum toen. Hij behaalde tijdens zijn werk in de automatisering in 1993 een master of science in kennistechnologie bij het CIBIT verbonden aan de Utrechtse universiteit. Momenteel geeft hij cursussen kwantumfysica en bewustzijn aan de Academie voor geesteswetenschappen in Utrecht.
Dat binnenwereld en buitenwereld onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn was volgens mij al voor George Berkeley (1685-1753) en alle na hem gekomen filosofisch idealisten duidelijk.
De complete zichtbare wereld om ons heen is er slechts omdat wij het waarnemen. Iets dat we ons nauwelijks kunnen voorstellen.
Jaap Theunissen.
Dat George Berkeley dit reeds zag is opmerkelijk. Maar nu hebben we experimentele aanwijzingen dat hij het juist zag.
Uit jullie leer kan opmaken dat als je je zelf opsluit in een kast de wereld daarbuiten niet meer bestaat. Dus de mensen , dieren en dingen bestaan dan niet meer. Hoe egoïstisch kun je zijn.
Beste Johan,
Dat is niet wat ik zeg. Wat je beschrijft is solipsisme. Ik zeg alleen dat de binnen- en buitenwereld niet gescheiden zijn, al denken we dat. Maar jouw binnenwereld, dat deel waar jij je van bewust bent, is zeker niet mijn buitenwereld. Dus jezelf opsluiten in een kast verandert niets voor de rest van de wereld. Het ligt ook aan wat je hanteert als de definitie van echt. Wat mij betreft is de buitenwereld zeker echt al is die alleen niet permanent materieel. Elk levend organisme is denk ik een waarnemer, dat zou zelfs de definitie van leven kunnen zijn.