Oorzaak, gevolg en tijd

Een nogal cryptisch stukje tekst

In een vorig bericht, over het boek ‘The Idea of the World’ van Bernardo Kastrup schreef ik:

‘Een beeld van een universum met alleen materie biedt hier geen enkele verklaring voor het feit dat de detectie van de spleet die gepasseerd moet zijn terug in de tijd werkt. Dat is omdat de oorsprong van het effect dat de interferentie verdwijnt – het verschijnen van het foton in een van de spleten – vóór het moment van detectie plaats gevonden moet hebben.’

Daar struikelde een lezer over en eigenlijk wel terecht. In mijn antwoord op haar bericht beloofde ik uitgebreid aandacht aan retrocausaliteit, oorzaak en gevolg, zoals dat in uitgestelde dubbelspleet experimenten naar voren komt, te besteden. Bij deze dus een poging om dat een stuk helderder te krijgen.

Interferentie bij de dubbelspleet

Dubbele spleet interferentie. © Joerg Enderlein

Eerst kijken we naar de gewone dubbelspleet. Of daar nu fotonen, elektronen of buckeyballs van 64 koolstofatomen op worden afgeschoten, het resultaat is steeds interferentie. Dat komt omdat deze objecten de dubbelspleet, in de vorm van een kwantumgolf met een zekere frequentie en golflengte, passeren op weg naar detectie. In beide spleten ontstaat er dan voor elk passerend object een eigen synchrone golfbron. Die synchrone golven die uit die twee spleten komen zullen op bepaalde plekken elkaar versterken of uitdoven. In de figuur 1 zullen de twee golven elkaar langs de stippellijnen versterken. De interpretatie van de kwantumgolf is dat daar de hoogste kans is dat het object bij meting wordt aangetroffen. Het resultaat op een scherm erachter is een patroon van lichte en donkere banden. Dat is niet het resultaat van één object. Om zo’n patroon te krijgen moet je wel minstens duizenden objecten, die allemaal dezelfde golflengte hebben, op de dubbelspleet afvuren. Zo’n patroon is het resultaat van interferentie.

Figuur 1 – Interferentie bij de dubbelspleet

Kijken bij de spleet

De golf gaat dus steeds door beide spleten. Gaan we nu observeren door welke van de twee spleten elk object gaat dan gebeurt er iets merkwaardigs. Elke golf past zich dan zodanig aan dat die nog maar door één van beide spleten gaat. De kans om het object dan bij meting in die spleet aan te treffen wordt ter plekke van die spleet blijkbaar 100%. Een golf die uit één spleet komt kan niet met zichzelf interfereren. In figuur 2 het resultaat als er gemeten wordt door welke spleet het object gaat. In figuur 2 gaat het object dus door de linker spleet. Maar de kans dat het door de rechter spleet had gegaan is vanzelfsprekend even groot. Er vertrekt nu maar per object één enkele golf uit een van beide spleten. Het resultaat op het scherm is nu een vage vlek in het midden achter de dubbelspleet omdat de afzonderlijke objecten afwisselend door maar één van beide spleten gaan. Eigenlijk twee vlekken dus die over elkaar heen liggen.

Figuur 2 – Kijken bij de spleet – geen interferentie. Het object manifesteert zich nu in de spleet.

Verstrengelde fotonenparen met gezamenlijke informatie

Meten bij de spleet met fotonen wordt gedaan door eerst twee fotonen met elkaar te verstrengelen en er dan één, het signaalfoton, door de dubbelspleet te sturen. Dit experiment beschrijf ik in mijn boek in hoofdstuk 7. Het andere foton, de idler, bezit vanwege die verstrengeling informatie over de spleet waar het signaalfoton doorheen gaat. De idler bezit dus informatie over welke spleet gepasseerd wordt. Als die informatie verloren gaat dan is het resultaat interferentie als in figuur 1. Als die informatie niet verloren gaat is het resultaat een vage vlek als in figuur 2.

De kwantuminformatie wisser

Het al dan niet wissen van informatie wordt gedaan door het idler foton een halfdoorlatende spiegel te laten passeren. Passeren of reflecteren is een niet voorspelbaar kwantumproces met 50/50 kansverdeling. Bij passeren blijft de informatie behouden, bij reflecteren gaat de informatie verloren. In het eerste geval is het experimentele resultaat van de signaalfotonen inderdaad een vage vlek, in het tweede geval een duidelijk interferentiepatroon.

Tot zover is het een belangrijk en hopelijk nu beter begrijpelijk kwantum experiment. Het al dan niet wissen van informatie bepaalt het patroon dat op het scherm ontstaat. Het interessante is nu dat we de halfdoorlatende spiegel zover weg kunnen zetten dat het signaalfoton al lang en breed door de dubbelspleet is gegaan wanneer de idler de halfdoorlatende spiegel bereikt waar beslist wordt voor passeren (informatie behouden) of reflecteren (informatie wissen). Ook dan is het experimenteel gemeten effect dat het interferentiepatroon wel of niet verdwijnt als de informatie niet, respectievelijk wel, verloren gaat, ook al is dat pas in verstreken tijd nadat de golf van het signaalfoton de dubbelspleet al gepasseerd is en het interferentiepatroon dus al – gedeeltelijk – gevormd zou moeten zijn.

Figuur 3 – Tijdlijn van het twee fotonen experiment. De informatie wordt al dan niet gewist ná het moment van respectievelijk de manifestatie in de spleet of de golf door de spleet. Retrocausaliteit?

Retrocausaliteit? Of een waarnemer effect?

Dit lijkt dus een effect met terugwerkende kracht in de tijd, retrocausaliteit. Zie de tijdlijn in figuur 3. Een andere interpretatie, waar ik de voorkeur aan geef, is dat de kwantumgolf van de fotonen verstrengeld raakt met de meetopstelling en dat de echte kwantumcollaps, de manifestatie van het gemeten object, pas plaats vindt wanneer de waarnemer de resultaten bekijkt. Zie figuur 3.

Gemiste kans?

Dit experiment, Random Delayed-Choice Quantum Eraser via Two-Photon Imaging, is uitgevoerd in 2007. De resultaten bevestigen de ogenschijnlijke retrocausaliteit. Wat ik echter niet in de beschrijving van het experiment gevonden heb is het idee om de informatie wissende halfdoorlatende spiegel zover weg te zetten dat het signaal foton al is gedetecteerd, en het interferentiepatroon of de vage vlek dus al zou bestaan, vóórdat de idler de spiegel passeert. Dat zou nog sterker aantonen dat het uiteindelijk om de waarnemer gaat en dat het niet een effect is van de meetopstelling. Een gemiste kans.

Oorzaak, gevolg en tijd worden daarmee iets dat de waarnemer creëert.

Ik hoop hiermee de cryptische tekst aan het begin zodanig uitgelegd te hebben dat die een stuk begrijpelijker wordt. Op- en aanmerkingen zijn welkom.

Wat is informatie? Wat is observatie?

Als reactie op de vraag van een lezer.

Dat is de grote vraag binnen de kwantumfysica: Wat betekent het als er geobserveerd wordt? wat is informatie? Het lijken zulke eenvoudige woorden die iedereen gebruikt en begrijpt maar blijkbaar is het dat niet.


Wat mij betreft is alles wat mijn bewustzijn binnenkomt als ervaring een observatie. Of ik dat nu rechtstreeks met mijn fysieke zintuigen doe of dat ik een gigantisch instrument als de Large Hadron Collider in Geneve gebruik voor mijn metingen. In beide gevallen krijg ik informatie over de wereld. En uiteindelijk altijd via mijn zintuigen. Pas als die informatie zich in mijn bewustzijn manifesteert kan ik zeggen dat ik informatie heb gekregen en dat ik begrijp wat die betekent. Tegelijk is er dan historie vastgelegd, en tijd.


In het geval van het beschreven experiment zal de informatie over het resultaat opgeslagen worden in een computer. Dat wordt door een programma bewerkt zodat het op een beeldscherm getoond kan worden. De experimentator ziet op zijn beeldscherm het resultaat. Maar het kan natuurlijk ook eerst afgedrukt worden op papier waarna de experimentator het papier bekijkt. Pas op dat moment komt de informatie binnen in zijn bewustzijn.

Wanneer gaat informatie onherroepelijk verloren?


Wat betekent het nu wanneer we zeggen dat de informatie verloren gaat? Als die informatie al geobserveerd is dan is die wat mij betreft niet verloren gegaan, al is de informatie daarna van de harde schijf gewist. In dit soort experimenten is het een vereiste voor het resultaat dat de informatie, die zich op dat moment nog in de verstrengelde ongemanifesteerde kwantumgolf bevindt, dermate onherroepelijk verloren gaat, dat de kans dat die ooit nog een waarnemer kan bereiken absoluut nul is.


In alle experimenten, die ik erover gelezen heb, gaat de informatie verloren vóórdat de kwantumgolf de detector kan bereiken. Daar is een halfdoorlatende spiegel heel geschikt voor. Alleen bij passeren bereikt die de detector. Reflectie betekent dat de informatie, al zat die nog in de kwantumgolf, verloren gaat. De informatie kan nooit meer de waarnemer bereiken. Als de golf daarentegen de halfdoorlatende spiegel wel passeert zit die informatie nog in die verstrengelde golf. Die bereikt de detector die in feite ook bestaat uit een complex van kwantumgolven. De detector en de kwantumgolf raken verstrengeld. Die verstrengeling strekt zich vervolgens uit tot de computer waarmee de detector verbonden is en eindigt pas bij de observatie door de experimentator. Dan pas is de informatie die in de kwantumgolf zat het bewustzijn binnengekomen als ervaring van de wereld. Dat is het projectiepostulaat van John van Neumann dat ik nog steeds, ondanks de inherente geest-materie dualiteit – nog de meest aannemelijke verklaring vind van de zogenaamde kwantumcollaps. Afgezien dan van de idealistische interpretatie.


Maar als het nu gaat om de informatie die uiteindelijk de waarnemer bereikt dan kan het onherroepelijk vernietigen natuurlijk ook gedaan worden door er voor te zorgen dat die niet op de harde schijf van de computer terecht komt. Of onmiddelijk weer onherstelbaar gewist wordt. Dat lijkt me ook nogal onherroepelijk. Ik beschrijf zo’n experiment in mijn boek Hoofdstuk 13, Falsifieerbaarheid van het bewustzijnsmodel, paragraaf ‘Aangepaste kwantumwisser’. Of kijk op deze website bij ‘Een echte kwantum informatiewisser‘.

The Idea of the World, volgens Bernardo Kastrup

After we came out of the church, we stood talking for some time together of Bishop Berkeley’ ingenious sophistry to prove the nonexistence of matter, and that everything in the universe is merely ideal. I observed, that though we are satisfied his doctrine is not true, it is impossible to refute it. I never shall forget the alacrity with which Johnson answered, striking his foot with mighty force against a large stone, till he rebounded from it – ‘I refute it thus.’

James Boswell: The Life of Samuel Johnson

Kastrup’s boek is niet echt gemakkelijk lezen. Elke zin moet uitgepakt worden als een zipfile. Je moet echt een aantal begrippen uit de filosofie paraat hebben. Zijn redeneringen zijn dan echter glashelder en het is niet gemakkelijk om er nog iets tussen te krijgen. Het is mijns inziens de moeite waard om hier zijn argumenten te bespreken die verrassend dicht tegen mijn visie op de betekenis van de kwantumfysica voor een interpretatie van de wereld aan liggen. Diezelfde visie vindt u aan het eind van mijn boek. Daar aangekomen breek ik een lans voor het idee van een kosmisch bewustzijn dat zich dit universum met ons erin ‘droomt’, net zoals wij in onze slaap complete werelden kunnen dromen die in de droomtoestand doorgaans als ‘echt’ ervaren worden. Als ik Kastrup’s boek vergelijk met dat van mij, dan pel ik langzaam alle lagen weg van de manier waarop ons geleerd is dat de werkelijkheid in elkaar zou zitten, om uiteindelijk bij Idealisme aan te komen. Kastrup gaat rechtstreeks naar de kern van de zaak, Idealisme, vertrekt daarvan en argumenteert vervolgens waarom dat een beter en vruchtbaarder beeld van de werkelijkheid is dan Fysicalisme.

Dat idee van een dromend kosmisch bewustzijn is identiek aan het Idealisme van bisschop Berkeley. Kastrup betoogt dat dat Idealisme de beste verklaring levert, met de minste ontologische aannames, voor een groot aantal fenomenen waarvoor het Fysicalisme geen enkele verklaring weet te leveren. Er zijn ook fenomenen die zelfs in tegenspraak zijn met die opvatting van de wereld.

Elke interpretatie van de wereld, zowel Idealisme als Fysicalisme, stoelt uiteindelijk op een aantal metafysische aannamen die niet bewezen kunnen worden. Hoe minder hoe beter lijkt daarbij een goed uitgangspunt voor een verstandige keuze tussen die twee. Laten we voor beide systemen de voor en tegens eens op een rijtje zetten en er meteen bij zetten of we op een of andere manier zeker kunnen weten of het uitgangspunt wel of niet klopt en of dit in overeenstemming is met experimentele bevindingen.

Fysicalisme, de problemen

De wereld bestaat volgens Fysicalisme objectief en permanent. Er is alleen materie. Alles heeft uiteindelijk een materiële oorzaak. Ons bewustzijn is een product van de materie, een emergent epifenomeen. Maar hoe kunnen we dat idee eigenlijk hard aantonen? Bedenk dat de wereld zich zonder uitzondering aan ons voordoet als ervaringen die in ons bewustzijn verschijnen. Pas als ze in ons bewustzijn verschijnen zijn die ervaringen voor ons werkelijk. Ervaringen die in ons bewustzijn verschijnen zijn de enige fenomenen waarvan we ondubbelzinnig kunnen zeggen dat ze werkelijk zijn. We kunnen er ons echter op geen enkele manier van verzekeren dat de bron van onze ervaring objectief en fysiek bestond voordat ze als ervaring in ons bewustzijn is verschenen.

De ervaring van Samuel Johnson van zijn voet tegen de grote steen is een ervaring binnen zijn bewustzijn. Niet erbuiten. Het bewijst dus niets. Het feit dat we het er met andere mensen over eens zijn dat iets zich in de wereld voordoet lijkt een argument voor het objectieve fysieke bestaan ervan maar is uiteindelijk ook een ervaring binnen ons bewustzijn en bewijst dus niet het objectieve bestaan ervan. In een droom kan iemand mij ook bevestigen dat hij eveneens ziet wat ik zie. Toch blijkt die bevestiging bij het wakker worden waardeloos.

Fysicalisme en de kwantumfysica

Fysicalisme moet logischerwijs volgens zijn materiële uitgangspunt aannemen dat bewustzijn een product van de materie is want er is alleen materie. Bewustzijn als emergent fenomeen van de hersens biedt echter geen verklaring voor de ontdekkingen in de kwantumfysica dat de waarneming de uitslag van de waarneming beïnvloedt. Zelfs terug in de tijd. Dat zijn de onontkoombare conclusies van de zogenaamde uitgestelde keus experimenten, zoals die van Scarcelli, Zhou en Shih in 2007. Voor een uitgebreide beschrijving daarvan verwijs ik naar mijn boek, hoofdstuk 7, Uitgestelde kwantumwisser vs. 2007.

Een beeld van een universum met alleen materie biedt hier geen enkele verklaring voor het feit dat de detectie van de spleet die gepasseerd moet zijn terug in de tijd werkt. Dat is omdat de oorsprong van het effect dat de interferentie verdwijnt – het verschijnen van het foton in een van de spleten – vóór het moment van detectie plaats gevonden moet hebben.

Uitgestelde keus kwantumwisser tijdlijn

En dat is beslist niet het enige experiment waar het Fysicalisme niet in staat is tot een verklaring. Alle Bell experimenten tot nog toe hebben met toenemende betrouwbaarheid aangetoond dat de meting aan deeltje A – al is de locatie van die meting nog zo ver verwijderd van die van de meting aan deeltje B – de uitslag van de meting aan deeltje B vastlegt en dat vóór de meting aan deeltje A de toestand van A noch B bestond. Je kunt dan niet met goed fatsoen zeggen dat de deeltjes al wel bestonden, maar dan wel zonder hun eigenschappen. Ik spreek hier daarom expres van metingen en niet van uit elkaar vliegende deeltjes aangezien we niet kunnen spreken van een eigenschapsloos bestaan van een deeltje vóór de meting. Iets dat bestaat heeft per definitie eigenschappen, toch? Fysicalisme biedt hier geen oplossing.

Daarbovenop is het verschijnen van het deeltje in het meetinstrument dat onmiddellijk daarvoor nog een coherente waarschijnlijkheidsgolf was, nog steeds een onopgelost raadsel waarvoor nog steeds een werkelijk fundamentele verklaring niet gevonden is vanuit het Fysicalisme. Decoherentie biedt geen verklaring maar is alleen een andere naam voor dit verschijnsel. Het verklaart niets. Het verklaart overigens ook niet hoe een niet-fysieke waarschijnlijkheidsgolf coherent blijft. Coherentie – samenhang – is een verschijnsel dat bij uitstek fysiek verklaard wordt. Hoe waarschijnlijkheden – getallen – een samenhangende golf kunnen zijn is nog steeds niet verklaard.

Fysicalisme houdt ook niet-contextualiteit in. Dat wil zeggen dat de uitslag van een waarneming niet mag afhangen van de manier waarop andere tegelijkertijd uitgevoerde waarnemingen gedaan worden. Ook dat wordt tegengesproken door de Bell experimenten. In dat kader is er in 2019 een experiment gedaan waarvan de voorlopige uitslag ook weer is dan niet-contextualiteit geschonden lijkt te worden. Ik verwijs naar mijn bericht: ‘Het consensus probleem in de kwantumfysica’.

Los van deze fysische experimenten zijn er talloze verschijnselen in de wereld die niet goed of volstrekt niet met het Fysicalisme te verklaren zijn. Die worden dan ook vaak onmogelijk geacht en geschreven op conto van fantasie, illusie, bedrog, ondeugdelijk onderzoek, anekdotisch en wat die meer zij. De nabij-de-dood-ervaring (NDE) is hier een goed voorbeeld van, dat overigens uitstekend te verklaren valt met Idealisme, sterker nog, het voorspelt het.

Idealisme, de bezwaren

Idealisme zegt dit: er is alleen een universeel bewustzijn waarin de werkelijkheid zoals wij die ervaren zich afspeelt op dezelfde manier als wanneer wij dromen. Binnen het bewustzijn dus. De materialiteit en de permanentie van de waargenomen wereld is een illusie. Kastrup somt de belangrijkste tegenwerpingen op:

  1. De ervaren concreetheid van de wereld.
  2. Het persoonlijke privé bewustzijn.
  3. Bestaat alleen de waargenomen werkelijkheid?
  4. Mijn bewustzijn is niet in staat om de waargenomen werkelijkheid aan te passen.
  5. Als de wereld een droom is hoe komt het dat wij die met elkaar delen?
  6. Wat is de oorsprong van de wetten van de natuur?
  7. Dat fenomenen zich buiten onze persoonlijke psyche afspelen wordt evengoed verklaard met Fysicalisme. Waarom dan een andere verklaring?
  8. Hoe komt het dat wat er zich in onze psyche afspeelt correleert met de waarneembare processen in ons brein?
  9. Hoe komt het dat, kort voordat wij een beslissing nemen, de hersenactiviteit al toeneemt? (Libet)
  10. Waar is dat niet-materieel bewustzijn wanneer we bewusteloos zijn?
  11. Is Idealisme niet hetzelfde als solipsisme?
  12. Hoe kwam de Big Bang tot stand zonder bewustzijn?
  13. Als ik naar het universum kijk dan zie ik daar geen bewustzijn.

Het gaat te ver om hier op al die tegenwerpingen in te gaan. Ik verwijs daarvoor naar het boek van Kastrup, deel III: Refuting objections. Maar op punt 1 t/m 4 ga ik hier in:

  1. Ook de concreetheid van de wereld is uiteindelijk een ervaring binnen het bewustzijn. Een goede definitie van bewustzijn is ‘Dat wat ervaart’. Volgens die definitie is er geen enkele manier om de objectieve wereld te ervaren zonder dat het bewustzijn daarbij betrokken is.
  2. Dat we allemaal een persoonlijk privé bewustzijn ervaren is volstrekt mogelijk als elk privé bewustzijn een zelfstandig functionerend onderdeel (subroutine) van het universele bewustzijn is, maar dat slechts in zeer beperkte mate met dat universele bewustzijn kan communiceren.
    • Een technisch voorbeeld: Virtuele computers binnen computers. De virtuele computer heeft geen rechtstreekse verbinding met de hardware en kan die ook niet direct aansturen. Ik heb zelf een volledig functionele -– en legale – Windows 10 draaien in een virtuele omgeving op een Apple computer.
    • Een menselijk voorbeeld: Dissociatieve Identiteitsstoornis (DID – voorheen MPS). In één persoon kunnen meerdere persoonlijkheden huizen. Een uitstekend voorbeeld is het geval van een vrouw die zowel blinde als ziende persoonlijkheden heeft. Als de blinde persoonlijkheid naar voren is gekomen dan zijn aantoonbaar de visuele hersencentra niet meer actief. Die worden actief als een niet-blinde persoonlijkheid naar voren treedt. Lees: ‘Sight and blindness in the same person: Gating in the visual system’.
  3. Dat de maan alleen bestaat als ik ernaar kijk, dat kan toch niet? Wat bedoelen we met ‘de maan bestaat’? Als ik naar de maan kijk dan zie ik die doordat zich een aantal fotonen op mijn netvlies manifesteren. Dat zijn niet dezelfde fotonen die een ander ziet. Die ander die samen met mij constateert dat de maan aan de hemel staat ontvangt zijn eigen fotonen, niet de mijne. Op het moment dat dat nodig is binnen mijn ervaringen zal het universele bewustzijn ervoor zorgen dat ik de juiste fotonen ontvang conform het beeld van de wereld dat dat universele bewustzijn voortdurend creëert en volgens patronen die wij herkennen als wetten van de natuur. Denk aan een VR-bril, als ik die opzet en om me heen kijk (mijn hoofd beweeg) projecteert de VR het overeenkomstige beeld. Het beeld dat overeenkomt met dat wat zich achter mij zou moeten bevinden wordt nog niet in de bril geprojecteerd, bestaat (nog) niet.
  4. Als bewustzijn de wereld creëert, waarom kan ik dan met mijn gedachten de wereld niet naar mijn wens creëren? Het eenvoudigste antwoord daarop is dat ik – dat wat ik momenteel als ik ervaar – een afgesplitst deel ben van het universele bewustzijn. Ik ben een geval van DID dus. Dat afgesplitste fragment dat ik ben, is niet in staat om het totaalplaatje van de wereld te beïnvloeden met een actie van de wil. Dat is afgeschermd. Overigens is het in talloze parapsychologische experimenten aangetoond dat de geest de werkelijkheid wel degelijk beïnvloedt. Er zijn NDE’s gerapporteerd die bevestigen dat de van het fysieke lichaam bevrijde geest uitstekend in staat is om elke ervaring te creëren die het zich maar voorstelt. Een goed voorbeeld is de NDE van Nancy L. Danison waar ze zich in haar lichaamloze toestand, terwijl haar lichaam op dat moment levenloos in een stoel in een ziekenhuiskamer zat, bedacht dat ze toch eigenlijk in een ziekenhuis was en het volgende moment met een verpleegster naast haar door een volledig werkelijkheidsgetrouwe ziekenhuisgang liep – totdat ze aan iets anders dacht.

Voor de overige punten verwijs ik verder naar Kastrup’s boek. Ik kan u wel zeggen dat hij op overtuigende wijze afrekent met al die bezwaren.

Idealisme tegenover Fysicalisme

Idealisme doet metafysische aannames. Daar kom je niet onderuit. Volgens Kastrup:

  • Universeel bewustzijn is primair. Het is de grond van alles.
  • Universeel bewustzijn moet de eigenschap hebben van zelf-excitatie, zoals bij een snaar die spontaan in een toestand van trilling komt.
  • Die zelf-excitatie moet de oorsprong zijn van elke ervaring.

Verdedigers van Fysicalisme brengen vaak – in de geest van Samuel Johnson – naar voren dat voor Fysicalisme geen metafysische aannames gedaan hoeven te worden. Alles is al voorhanden. Niets is minder waar. Waar komen de fysische wetten vandaan? Hoe komt het dat de materie zich volgens mathematische wetten gedraagt?

Kwantumfysische verschijnselen worden door fysicalisten verklaard met de aanname van het kwantumveld. Dat is een veld van potentie dat het hele universum doordringt, dat op elk punt voortdurend actief is met virtuele deeltjes die uit het niets verschijnen en weer razendsnel in dat niets verdwijnen tenzij het – onvoorspelbaar – verandert in een niet-virtueel – waarneembaar – deeltje. Dus:

  • Het kwantumveld is primair, het is de grond van alles.
  • Het kwantumveld heeft de eigenschap van zelf-excitatie. Het produceert voortdurend virtuele deeltjes die objectief reëel kunnen worden.
  • Die zelf-excitatie is de bron van elke waarneming.

Kortom, wat is in deze de meest spaarzame hypothese denkend aan de fenomenen die het Fysicalisme niet kan verklaren?

Niets dan voordelen

Als je er even over nadenkt dan blijkt Idealisme uitstekende verklaringen te bieden voor een aantal verschijnselen waar Fysicalisme het spoor bijster raakt:

  • De NDE
  • De verrassende geschiktheid van de wiskunde om de fenomenen in de wereld te beschrijven terwijl wiskunde bij uitstek een product van de geest is.
  • Het feit dat ruimte en tijd afhankelijk zijn van de positie van de waarnemer. Dat ruimte gekromd kan zijn. Dat wijst er op dat ruimte en tijd een product van de geest zijn.
  • Synchroniciteit. Gebeurtenissen die geen causale samenhang hebben maar wel een gemeenschappelijke betekenis voor degene die de synchroniciteit ervaart. Het stoppen van klokken op het moment van overlijden van een familielid is er zo een die best vaak voorkomt.
  • De verrassende precisie waarmee de fysische constanten op elkaar afgestemd zijn zodat leven mogelijk is. Een minieme afwijking daarvan zou al resulteren in een universum zonder enig leven zoals wij dat kennen.
  • De kwantumcoherentie in levende systemen die veel langer blijft bestaan dan mogelijk wordt geacht.
  • De kwantumefficiency van metabolische processen.
  • Etc.

Tenslotte. Idealisme biedt ook een aanzienlijk hoopvollere boodschap dan Fysicalisme. Het einde van het fysieke lichaam is niet het einde van het bewustzijn. Het universum is verre van zinloos.